De ontwikkeling van een met onderzoek onderbouwde methodiek voor het meidenwerkDit artikel doet verslag van een zoektocht naar de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een met onderzoek onderbouwde methodiek voor het meidenwerk. Het geeft inzicht in de mogelijkheden en moeilijkheden voor het opbouwen van een kennisbasis voor open benaderingswijzen in de praktijk van het sociaal werk. De aanleiding is het verzoek van Amsterdamse meidenwerkers om hulp bij het ontwikkelen van een met onderzoek onderbouwde methodiek voor een bijna 90-jarige diverse en dynamische praktijk. De achtergrond vormt de discussie over de kennisbasis van het sociaal werk. Gangbare modellen als “evidence-based practice”, “practice-based evidence” en “common factors” worden besproken op geschiktheid voor het ontwikkelen van een met onderzoek onderbouwde methodiek voor open benaderingswijzen, waarna programma evaluatie als mogelijk alternatief wordt uitgediept. De conclusie is dat er vooral met betrekking tot open benaderingswijzen binnen het sociaal werk dringend meer aandacht nodig is voor het proces van methodiekontwikkeling en de wijze van onderbouwing. De eerste ervaringen met programma evaluatie en het daaruit voortvloeiende model van methodische principes zijn voorzichtig positief. Programma evaluatie lijkt handreikingen te bieden voor het omgaan met het spanningsveld tussen de wetenschappelijke kwaliteit van de bevindingen en de bruikbaarheid voor de praktijk. Methodische principes lijken waardevol als drager voor het expliciet maken, stollen, onderbouwen en overdragen van kennis.
De doelstelling van het lectoraat is een impuls te geven aan een eigentijdse, kwalitatief hoogwaardige en marktgerichte vernieuwing van de opleidingsmethodiek en -didactiek binnen de Hogeschool Utrecht. Dit ten behoeve van de studenten en docenten. Deze innovatie komt per definitie tot stand met behulp van het werkveld. Het lectoraat maakt gebruik van het concept Levend Leren. Binnen deze algemene doelstelling houdt Jeroen Lutters zich bezig met het, voor de hele Hogeschool Utrecht belangrijke, onderzoeksterrein Opleiding en biografie in het bijzonder Opleiding en Jeugdcultuur. Er bestaan immers talloze aanwijzingen dat het succes van een opleidingstraject in belangrijke mate afhangt van de mate waarin rekening wordt gehouden met de biografische fase waarin de student verkeert. Reden waarom wij bij innovatie van het Hoger Onderwijs voortdurend moeten werken vanuit een integrale aanpak. Jeroen gaat daarbij uit van de beginselen die aansluiten bij wat ook wel bekend staat als de transformerende agogiek. Jeroen profileert zich vooral als schrijver en onderzoeker. Bewust is ervoor gekozen om het eerste voorop te zetten, omdat onderzoek (data verzamelen en analyseren) niet de primaire doelstelling is, maar altijd in dienst staat van een publicatie. Datzelfde geldt ook voor de verhouding seminar/training en publicaties. Ook daar komt het laatste in de eerste plaats. Het motto is steeds: leren iets te doen met de pen in de hand.
In de ontwikkeling van voedingsmiddelen draait alles om smaak. Eten moeten vooral lekker zijn, toch? Om smaak en andere producteigenschappen in kaart te brengen wordt sensorisch onderzoek (SO) uitgevoerd. In de praktijk gebeurt dit vaak onder suboptimale omstandigheden vanwege bijvoorbeeld onvoldoende beschikbaarheid van panelleden en een gebrek aan tijd. Belangrijke beslissingen worden vervolgens gebaseerd op onbetrouwbare, invalide resultaten. Er is daarom een behoefte naar snelle, betrouwbare en valide methodieken. Daarbij geldt dat voedselkeuze een complex proces dat verder gaat dat het analytisch beoordelen van producteigenschappen. Zo kan de context van consumptie van invloed zijn op de perceptie van smaak. In het sensorisch onderzoeksveld is hier steeds meer aandacht voor. Hiermee beweegt SO zich richting consumentenonderzoek (CO). De overlap en wederzijdse beïnvloeding van elementen uit SO en CO zijn relevant tijdens verschillende fases van het productontwikkelingsproces. In dit postdoconderzoek zal Vera van Stokkom een snelle en flexibele onderzoeksmethode ontwikkelen en valideren. Elementen van SO en CO zullen geïntegreerd worden in een methodiek onder de werktitel Rapid Sensory & Consumer Modules Tool (RSCM-tool). De methodiek zal worden gericht op de productcategorie groenten. Groenten passen bij uitstek in een gezond en duurzaam voedingspatroon. Ook zal worden onderzocht of de RSCM-tool kan worden ingezet bij ouderen, omdat bij ouderen achteruitgang in sensorische perceptie plaatsvindt. Met dit postdoconderzoek wordt kennis en ervaring opgedaan over de toepassing van een nieuwe sensorische onderzoeksmethodiek (RSCM) die uiterst relevant is voor onderzoek met, en onderwijs op het gebied van voeding. Dit postdoconderzoek valt onder het Research and Innovation Centre Agri, Food & Life Sciences van Hogeschool Inholland. Naast een verbreding en verdieping op de onderzoekslijn Gezondheid in de Metropool en het domeinoverstijgende onderzoeksprogramma Food for Happy Ageing, zal dit onderzoek bijdragen aan duurzame curriculuminnovatie binnen de opleiding Food Commerce and Technology en de profilering van Hogeschool Inholland als kennispartner.
Taal is een modaliteit van het lichaam. Kinderen leren met hun lijf wanneer zij door spel de wereld ontdekken. Kinderen verwerven taal om deze ervaringen te verwoorden en zodoende grip op de wereld en de mensen om hen heen te krijgen. Professionals die met jonge kinderen werken (h)erkennen dit belichaamde leren, de ‘embodiedness’ van taal, maar hebben te weinig zicht op dit proces om daar in hun taalonderwijs op aan te kunnen sluiten. De vraagstelling voor dit onderzoek komt vanuit onderbouwleerkrachten uit hartje Rotterdam die deze verstedelijkte cultuur als een verarmde pedagogische omgeving benoemen. Zij leggen daarbij een verband met taalachterstanden. De taalstimuleringsprogramma’s waarmee zij werken om die taalachterstanden tegen te gaan zijn ontwikkeld met een sterke focus op cognitieve opbrengsten waarin de verwevenheid van taal(verwerven)–lijfelijkheid–kennis(verwerven) uit beeld is geraakt. Hierdoor is een kennisniche ontstaan. Met dit onderzoek willen we hierop inspelen. Enerzijds wil het de relatie lijfelijkheid-taal-kennis inzichtelijk maken. Anderzijds gaat het erom dat de functie van het lijf in taalverwerving zichtbaar wordt in het handelen van professionals. Meer specifiek gaat het om de vraag hoe fysiek, sensorisch en manipulatief spel leidt tot betekenisstructuren voor het conceptualiseren van de dynamische en relationele aspecten van taal, met als doel de inzichten die dit oplevert te gebruiken voor het innoveren van het vroegschoolse taalonderwijs. Met de professionals willen we, door precieze observaties, de relatie tussen spelgedrag, taalgedrag en speelomgeving in kaart brengen. Vervolgens willen we in ‘communities of practice’ taalonderwijs ontwerpen dat aansluit bij het belichaamde leren van jonge kinderen. Vanuit deze onderzoeksmethodiek ontstaan nieuwe praktijken die van binnenuit het taalonderwijs vernieuwen. Een deel van de participerende scholen in dit onderzoek heeft een vergelijkbare stedelijke context. Omdat de vraag breder wordt gevoeld, doen ook scholen in andere contexten mee. Dat biedt mogelijkheden voor vergelijking van die contexten.
Jongeren met chronische aandoeningen worden vaak geconfronteerd met problemen in het dagelijks functioneren, waarbij vermoeidheid wordt genoemd als het meest invaliderend. De prevalentie van vermoeidheid onder jongeren met chronische aandoeningen varieert tussen de 51-75%. Vermoeidheid kan onafhankelijk ontstaan van het onderliggende pathologisch mechanisme; uit literatuur blijkt dat ziekte-specifieke benaderingen weinig of nauwelijks effect hebben op vermoeidheid. Vermoeidheid wordt bovendien te laat opgemerkt of blijft onbehandeld. Inzicht in de ziekte-overstijgende mechanismen van vermoeidheid is van belang om vroegtijdig opsporen en de ontwikkeling van passende interventies te faciliteren. Dit postdoc onderzoek richt zich op het ontrafelen van ziekte-overstijgende mechanismen van vermoeidheid vanuit het perspectief van jongeren, het gezin en de fysieke en sociale leefomgeving. Binnen een longitudinale cohortstudie gedurende 12 maanden worden 208 jongeren met verschillende chronische aandoeningen gemonitord. Naast traditionele onderzoeksmethodieken zoals vragenlijsten en fysieke testen, wordt gebruik gemaakt van remote sensoring, linked data en context mapping (=kwalitatieve methode). Studenten die participeren in het onderzoek zullen de mogelijkheden en beperkingen van zulke methoden ervaren. Dit kan o.a. bijdragen aan het integreren van zorgtechnologie in het dagelijks (kinder)fysiotherapeutisch handelen. We ontwikkelen een theoretisch raamwerk dat de basis legt voor betere vroegdetectie (op afstand en non-invasief) van vermoeidheid en voor het identificeren van mogelijke aangrijpingspunten voor behandeling (doelstelling 1 en 2). Verder draagt het postdoc onderzoek bij aan een beter inzicht in de rol van de sociale en fysieke leefomgeving bij de maatschappelijke participatie van jongeren met chronische aandoeningen (doelstelling 3). Studenten zullen in veldwerk ter plaatse metingen doen, de leefsituatie verkennen en samen met zorgprofessionals en docenten hun klinische blik verrijken. Doordat zij daadwerkelijk in de leefomgeving van jongeren zelf aanwezig zijn kan dit bijdragen aan bewustzijn over de rol van verschillende sociale en fysieke factoren op vermoeidheid en op de maatschappelijke participatie van jongeren met uiteenlopende chronische aandoeningen.