Nieuw-Zeelandse spinazie is een kansrijk gewas voor de teelt op brak (grond)water of op verzilte gronden. Deze teelthandleiding bevat informatie voor telers die geïnteresseerd zijn om met het gewas aan de slag te gaan. Nieuw-Zeelandse spinazie, zilte teelt, proeftuin, landbouw meerdere smaken
DOCUMENT
Eerste onderzoeksresultaten proeftuin waterstraat Delft variatie infiltratie-capaciteit innovaties laag Nederland
IMAGE
In Hoogeveen wordt een compleet nieuwe wijk gebouwd met een gasinfrastructuur. Echter niet voor aardgas maar voor duurzaam geproduceerde waterstof. Een groot consortium werkt aan dit project genaamd Hydrogreenn Hoogeveen, de Hanzehogeschool Groningen is onderdeel van het consortium. In de proeftuin van EnTranCe zullen we gaan testen met de CV-ketels op waterstof. In deze blog neem ik jullie mee tijdens de voorbereidingen in de proeftuin van EntranCe om over een week of twee de CV-ketels ook echt te kunnen gaan testen.
LINK
Als onderdeel van de proeftuin voor energiebesparing voor minder hoge inkomens van de gemeente Aa en Hunze, heeft het lectoraat Communication, Behaviour and the Sustainable Society van de Hanzehogeschool Groningen een nulmeting gedaan, met betrekking tot de verschillende partijen waarmee huishoudens met een minder hoog inkomen in contact staan en de relatie van die partijen tot het project. Daarnaast is met de nulmeting de behoefte aan ondersteuning van de doelgroep en de mogelijkheden daartoe, in kaart gebracht. Het onderzoek was gericht op de beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: 1) Wie verstaan we onder de groep van minder hoge inkomens?2) Hoe kunnen we de groep van minder hoge inkomens binnen de gemeente Aa en Hunze bereiken?3) Welke partijen staan in contact met deze doelgroep? 4) In hoeverre neemt de groep van minder hoge inkomens al deel aan de energietransitie en wat zijn hun belemmeringen?5) Wat gaat deze huishoudens helpen, zodat ze wel/meer kunnen deelnemen aan de energietransitie?Er is een stakeholdersanalyse uitgevoerd, waarbij eerst alle stakeholders van het project zijn geïdentificeerd (onderscheiden naar maatschappelijke organisaties en bedrijven) en waarbij vervolgens een deel van de stakeholders is geïnterviewd en een ander deel een aantal vragen via e-mail heeft beantwoord. Op basis van de informatie die door de stakeholders is gegeven is een sociale netwerkanalyse uitgevoerd waarmee het netwerk van de maatschappelijke organisaties in kaart is gebracht. In totaal is informatie van 34 maatschappelijke organisaties en 10 bedrijven verzameld. Daarnaast is met behulp van een vragenlijst, die breed onder de inwoners van de gemeente is verspreid, een beeld van de inwoners van de gemeente opgesteld (in relatie tot de energietransitie) en de context waarin ze leven. De vragenlijst is breed onder de inwoners verspreid en aanvullend is gericht via een deur-aan-deur actie en via sociale media, respons van de doelgroep verzameld. Het vragenlijstonderzoek heeft in totaal 245 bruikbare reacties van inwoners opgeleverd.Als laatste is in een aantal gesprekken met de doelgroep, aanvullende informatie verzameld. Deze gesprekken zijn gevoerd met cliënten van de welzijnsorganisatie Tinten, bezoekers aan het Taalhuis en klanten van de Voedselbank. In totaal is met 35 inwoners gesproken.Uit het onderzoek is gebleken dat de doelgroep van huishoudens met een minder hoog inkomen, zeer divers is. De gemene deler van de huishoudens is dat ze weinig geld te besteden hebben. De redenen waarom inwoners weinig geld te besteden hebben is echter zeer verschillend. De doelgroep bestaat grotendeels uit huurders, maar omvat ook huiseigenaren.De doelgroep kan het beste worden bereikt door middel van persoonlijk contact in de eigen leefomgeving van de inwoners, via bestaande contacten van (maatschappelijke) organisaties zoals het welzijnswerk, de schuldhulpverlening of woningbouwcorporaties of via het sociale netwerk van de inwoners.Een groot aantal maatschappelijke organisaties staat in contact met de doelgroep. De energietransitie en energiearmoede bij mensen met een minder hoog inkomen is echter een onderwerp waar ze zich nog nauwelijks mee bezig houden. Ze hebben ook onderling nauwelijks contact met betrekking tot de energietransitie voor de doelgroep. Opvallend is verder dat er met betrekking tot de energietransitie voor de doelgroep zo goed als geen contacten tussen maatschappelijke organisaties en bedrijven zijn, evenmin als met inwonersorganisaties, zoals dorpshuizen en verenigingen voor dorpsbelangen. Bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn wel gemotiveerd om aan te sluiten bij het project. Bedrijven hebben daarvoor concrete ideeën wat ze zouden kunnen bijdragen, bij maatschappelijke organisaties is het beeld van hun mogelijke rol in de proeftuin minder concreet.Inwoners met een minder hoog inkomen hebben een positieve houding tegenover de energietransitie. Ze zijn echter nauwelijks bezig met het onderwerp en nemen in beperkte mate deel aan de energietransitie. Een belangrijke belemmering voor hen is (vanzelfsprekend) het gebrek aan financiële middelen, maar ze zijn ook meer met andere, urgente, problemen die ze ervaren, bezig. Ze zijn minder bereid dan mensen met een hoger inkomen om zelf iets te doen om hun huis of buurt te verduurzamen. Dat is echter niet altijd een kwestie van niet willen: ze ervaren juist meer urgentie met betrekking tot de energietransitie dan mensen met een hoger inkomen. Ze ervaren daarnaast minder controle en hebben minder het gevoel dat zij zelf iets kunnen bijdragen. Het ontbreekt de doelgroep daarnaast veelal aan concreet handelingsperspectief en ze zijn nauwelijks op de hoogte van het gemeentelijk beleid en de kansen die dat biedt en ze houden vooral instituties verantwoordelijk voor de energietransitie.Al met al kan er worden geconcludeerd dat de groep van minder hoge inkomens nog niet voldoende betrokken is bij de energietransitie, maar tegelijkertijd lijken er verschillende aanknopingspunten te zijn om hiermee aan de slag te gaan. Dit zou vanuit verschillende invalshoeken kunnen worden aangevlogen, waarbij maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners gezamenlijk zouden kunnen optrekken. Op basis van de resultaten wordt een aantal concrete aanbevelingen gedaan:1. Creëer financiële mogelijkheden voor inwoners met minder hoge inkomens om verduurzaming mogelijk te maken;2. Leg contact met de inwoners in hun eigen directe leefomgeving;3. Maak gebruik van bestaande contacten met de inwoners;4. Richt communicatie op specifieke doelgroepen;5. Breng organisaties, bedrijven en inwoners samen;6. Betrek bedrijven expliciet bij de gezamenlijke opgave;7. Geef inwoners concrete, actie-gerichte informatie over wat ze zelf kunnen doen en de mogelijkheden die de gemeente biedt;8. Sluit aan bij de positieve houding van de inwoners.De complexiteit van het energiedomein en de energietransitie, de diversiteit van de doelgroep en de veelheid aan factoren die van invloed zijn op (energie) gedrag, laten zien dat er geen eenvoudige, one-size-fits-all, aanpak is om energiearmoede terug te dringen. De praktijk is dat er meerdere verschillende acties nodig zijn, dat verschillende organisaties op verschillende momenten en voor verschillende doelgroepen moeten worden ingeschakeld om veranderingen te bewerkstelligen. Dat is een complexe en zware opgave voor de gemeente. Het effect van enkelvoudige acties bij een deel van de doelgroep zal op gebruikelijke indicatoren (zoals bijvoorbeeld het percentage huishoudens dat leeft in energiearmoede) niet snel zichtbaar zijn. Het verdient daarom een laatste aanbeveling om de effecten van (nieuw) beleid en (nieuwe) acties heel precies te meten. Dat kan, zoals ook in het onderzoeksvoorstel is benoemd, uitgevoerd worden met behulp van Energysense van de Hanzehogeschool.
DOCUMENT
Door de proeftuin van EnTranCe loopt een bovengronds warmtenet wat onder andere het hoofdgebouw verwarmt. Als je op het experimenteerterrein een proef uitvoert die warmte opwekt kun je deze warmte ‘kwijt’ op het warmtenet. Op dit moment is een van de warmteleveranciers voor dit warmtenet het project Hydrogreenn Hoogeveen. Hier worden een drietal waterstof cv-ketels getest die dagelijks warmte leveren aan ons warmtenet.
LINK
De digitalisering binnen de zorgsector heeft geleid tot aanzienlijke veranderingen in de manier waarop zorgdossiers worden beheerd. Voor verpleegkundigen in opleiding betekent dit dat zij moeten leren werken met deze digitale tools. Om hen hierop voor te bereiden, willen onderwijsinstellingen een zo realistisch en authentiek mogelijke leeromgeving creëren. Ondanks deze inspanningen blijven er uitdagingen bestaan bij de implementatie van didactische elektronische patiëntendossiers (EPD).
LINK
De combinatiefunctionaris heeft als doel meer rendement te halenuit de driehoek buurt, onderwijs en sport. Het Instituut voor Sportstudiesvan de Hanzehogeschool draait op dit moment proeftuinprojectenin samenwerking met de gemeente Groningen. “Om heteffect te vergroten koppelen wij ‘sportteams’ met studenten aanelke combinatiefunctionaris,” geeft projectleider Hiske Wiggershet doel van de proeftuinen aan. Samen met collega Arjan Taaijleidt zij een pilot om te kijken hoe er het beste met de nieuwefunctie omgegaan kan worden. In Groningen wordt op een iets anderemanier invulling gegeven aan de combinatiefunctie, waarbijhet belangrijk is om te onderzoeken en te leren van de proeftuinprojecten.
DOCUMENT
In dit artikel treft u allereerst een paragraaf over de duale opleiding en vervolgens wordt aangegeven waarom organisaties juist voor deze vorm van opleiden hebben gekozen. Daarna volgt een kritische terugblik op het duale leren als proeftuin voor vraaggericht, competentiegericht leren aan de hand van meningen en ervaringen van deskundigen, onderwijs (waaronder Fontys)en organisaties in het werkveld met het ontwikkelen van een vraaggestuurd competentiegericht onderwijsaanbod, het werken met een POP en met het zoeken naar passende begeleidings- en beoordelingstechnieken.
DOCUMENT
Kruiden in grasland staan volop in de belangstelling. Vanuit het perspectief van weidevogelbeheer en vanuit de functionaliteit voor de bedrijfsvoering. Maar welke mengsels te gebruiken? En welk beheer is nodig om de functionaliteit goed tot zijn recht te laten komen? In de projecten ‘Koeien en Kruiden’ en de ‘Proeftuin Trots op Krimpenerwaard’ worden deze vragen opgepakt.
DOCUMENT
'De klimaatproeftuin bij BuildinG op de Zernikecampus in Groningen is een werkomgeving van 1,5 hectare waar dierse organisaties samen experimenteren, innoveren en netwerken op het geied van klimaatadaptatie. Hij trekt jaarlijks meer dan 10.000 bezoekers.'
LINK