This chapter reports on the findings of a research project aimed at investigating the actual thermal environment of the housing of older occupants (aged 65 or over) in South Australia. The study documented their thermal preferences and behaviours during hot and cold weather and relationships to their well-being and health. Information was collected in three phases, a telephone survey, focus group discussions and detailed house environmental monitoring that employed an innovative data acquisition system to measure indoor conditions and record occupant perceptions and behaviours. The research covered three climate zones and extended over a nine-month period. The detailed monitoring involved a total of 71 participants in 57 houses. More than 10,000 comfort/well-being questionnaire responses were collected with more than 1,000,000 records of indoor environmental conditions. Analysis of the data shows the relationships between thermal sensation and self-reported well-being/health and the various adaptive strategies the occupants employ to maintain their preferred conditions. Findings from the research were used to develop targeted recommendations and design guidelines intended for older people with specific thermal comfort requirements and more broadly advice for architects, building designers and policymakers. Original publication at: Routledge Handbook of Resilient Thermal Comfort Chapter 7: https://doi.org/10.4324/9781003244929-10
MULTIFILE
Patients with coronary artery disease (CAD) are more sedentary compared with the general population, but contemporary cardiac rehabilitation (CR) programmes do not specifically target sedentary behaviour (SB). We developed a 12-week, hybrid (centre-based+home-based) Sedentary behaviour IntervenTion as a personaLisEd Secondary prevention Strategy (SIT LESS). The SIT LESS programme is tailored to the needs of patients with CAD, using evidence-based behavioural change methods and an activity tracker connected to an online dashboard to enable self-monitoring and remote coaching. Following the intervention mapping principles, we first identified determinants of SB from literature to adapt theory-based methods and practical applications to target SB and then evaluated the intervention in advisory board meetings with patients and nurse specialists. This resulted in four core components of SIT LESS: (1) patient education, (2) goal setting, (3) motivational interviewing with coping planning, and (4) (tele)monitoring using a pocket-worn activity tracker connected to a smartphone application and providing vibrotactile feedback after prolonged sedentary bouts. We hypothesise that adding SIT LESS to contemporary CR will reduce SB in patients with CAD to a greater extent compared with usual care. Therefore, 212 patients with CAD will be recruited from two Dutch hospitals and randomised to CR (control) or CR+SIT LESS (intervention). Patients will be assessed prior to, immediately after and 3 months after CR. The primary comparison relates to the pre-CR versus post-CR difference in SB (objectively assessed in min/day) between the control and intervention groups. Secondary outcomes include between-group differences in SB characteristics (eg, number of sedentary bouts); change in SB 3 months after CR; changes in light-intensity and moderate-to-vigorous-intensity physical activity; quality of life; and patients’ competencies for self-management. Outcomes of the SIT LESS randomised clinical trial will provide novel insight into the effectiveness of a structured, hybrid and personalised behaviour change intervention to attenuate SB in patients with CAD participating in CR.
MULTIFILE
Abstract: Research in higher education has revealed a significant connection between executive functions (EFs) and study success. Previous investigations have typically assessed EFs using either neuropsychological tasks, which provide direct and objective measures of core EFs components such as inhibition, working memory, and cognitive flexibility, or self-report questionnaires, which offer indirect and subjective assessments. However, studies rarely utilize both assessment methods simultaneously despite their potential to offer complementary insights into EFs. This study aims to evaluate the predictive capabilities of performance-based and self-reported EFs measures on study success. Employing a retrospective cohort design, 748 first-year Applied Psychology students completed performance-based and self-report questionnaires to assess EFs. Maximum likelihood correlations were computed for 474 students, with data from 562-586 first-year students subsequently subjected to hierarchical regression analysis, accommodating pairwise missing values. Our results demonstrate minimal overlap between performance-based and self-reported EFs measures. Additionally, the model incorporating self-reported EFs accounted for 13% of the variance in study success after one year, with the inclusion of performance-based EFs raising this proportion to 16%. Self-reported EFs assessments modestly predict study success. However, monitoring levels of self-reported EFs could offer valuable insights for students and educational institutions, given that EFs play a crucial role in learning. Additionally, one in five students reports experiencing significant EFs difficulties, highlighting the importance of addressing EFs concerns for learning and study success.
MULTIFILE
Een ziekenhuisopname voor een operatie heeft grote impact op kankerpatiënten. Ook als de ingreep medisch gezien goed is verlopen, leeft er bij patiënten vaak veel onzekerheid na ontslag uit het ziekenhuis. Dit komt door de complexiteit en veelheid aan behandelingen bij kanker en dit wordt extra versterkt als het ontslagproces sub-optimaal verloopt en niet aansluit bij de behoeften van patiënten. Dit is onwenselijk want het kan leiden tot vertraagd herstel, onnodige heropnames in het ziekenhuis (onnodige kosten) en stress en onzekerheid bij patiënten en hun naasten. Dit heeft een negatieve impact op het welzijn van mensen in hun leefomgeving en leidt tot een negatieve beleving van de zorgverlening. Zorgprofessionals weten echter niet wat mensen na een oncologische operatie nodig hebben om zich weer goed te voelen in hun leefomgeving en hoe zij daar vanuit de eerste en tweede lijn gezamenlijk aan kunnen bijdragen. Daarnaast is onbekend hoe zorgtechnologie zorgverleners en kankerpatiënten in hun leefomgeving daarbij kan ondersteunen. Het doel van dit onderzoek is het bevorderen van herstel en welzijn van mensen na een oncologische operatie en hun naasten, door kennisontwikkeling over hoe zorgprofessionals en ondersteuning middels technologie bij kunnen dragen aan een soepele overgang van ziekenhuis naar leefomgeving. Als uitgangpunt wordt de kennis en kunde uit het hotelvak gebruikt waar het uitchecken (ontslagprocedure) geperfectioneerd is en bijdraagt aan de goede waardering van het hotelbezoek. Om dit te realiseren is het onderzoek verdeeld in twee fasen: 1. Op basis van onderzoek naar de wensen en behoeften van kankerpatiënten en hun naasten, alsmede de ervaring van zorgprofessionals, wordt het ontslagproces herzien. 2. Er wordt onderzocht op welke wijze technologische ontwikkelingen (zoals zelfmonitoring) kunnen bijdragen aan het herstel van kankerpatiënten in de eigen leefomgeving.
Jaarlijks worden er in Nederland meer dan 1.6 miljoen mensen opgenomen in het ziekenhuis. Een ziekenhuisopname gaat voor veel mensen gepaard met verlies van conditie en een langdurig herstel. Fysieke inactiviteit van de patiënt gedurende de ziekenhuisopname is een belangrijke reden voor de afname van de zelfredzaamheid. Zonder medische noodzaak liggen patiënten 60-90% van de tijd in bed terwijl onderzoek laat zien dat spierkracht met 1 tot 5% per dag bedrust kan afnemen. Het beweeggedrag van de patiënt heeft in het ziekenhuis echter geen hoge prioriteit. Aan de andere kant laat literatuur zien dat het stellen van doelen (‘goal setting’) en het monitoren van eigen lichaamsfuncties (‘self-monitoring’) twee effectieve strategieën zijn om gedragsverandering teweeg te brengen. Binnen verschillende beweeginterventies bleek een stappendoel hét succesvolle ingrediënt. Daarom heeft consortiumpartner UMC Utrecht het initiatief genomen om fysieke activiteit als nieuwe maat te introduceren in de klinische zorg. Zij hebben recent in samenwerking met MKB-partijen Peercode en Pam een koppeling gerealiseerd met een beweegsensor en hun elektronisch patiëntendossier. Middels deze beweegsensor kan het beweeggedrag gemeten worden van patiënten waarmee bewegen als objectieve maat beschikbaar wordt voor zorgverleners én patiënten. Ondanks de technische koppeling, wordt het systeem nog weinig gebruikt. Fysiotherapeuten en verpleegkundigen werkzaam in het UMC Utrecht vragen naar concrete handvatten voor gepersonaliseerde inzet van het systeem. Zonder concreet plan of interventie voor zorgverleners en patiënten, bestaat het risico dat deze zorginnovatie niet of suboptimaal geïmplementeerd wordt, zoals vaak bij technologische innovaties gebeurt. Door met de Hogeschool Utrecht te gaan samenwerken zal, met studenten en medewerkers uit het werkveld, een beweegdoelinterventie worden ontwikkeld passend bij de behoeftes van zorgverleners en patiënten in de klinische setting om daarmee de kans op adoptie in de zorg te vergroten van deze veelbelovende technische innovatie.