De coronapandemie heeft een enorme impact op het mentale welzijn van de Nederlandse bevolking. Gebaseerd op een grootschalig panelonderzoek (N = 22.696) naar de sociale impact van COVID-19, onderzoekt dit artikel ten eerste welke sociale groepen het meest vatbaar zijn voor de gevolgen van de pandemie op de geestelijke gezondheid. Ten tweede onderzoeken we of sociaal kapitaal bescherming biedt tegen deze gevolgen. We vinden dat de impact van COVID-19 op de geestelijke gezondheid aanzienlijk is en dat deze in de loop van 2020 is toegenomen. Vrouwen, jongeren, respondenten met lage inkomens en/of een slechte zelf ervaren gezondheid, ervaren relatief meer angst en stress als gevolg van de pandemie. We vinden geen verschil tussen respondenten met of zonder migratieachtergrond. Sociaal kapitaal (ontvangen steun, vertrouwen in mensen en in instellingen) heeft het verwachte effect: hoe meer steun en vertrouwen, hoe minder angst en stress. Er is een bemiddelingseffect. Ouderen, respondenten met hoge inkomens en/of een goede gezondheid ervaren minder angst en stress, deels omdat ze meer sociaal kapitaal hebben. Dit is anders voor vrouwen. Zij zouden zelfs meer angst en stress ervaren in vergelijking met mannen, ware het niet dat zij meer sociaal kapitaal hebben. We concluderen dus dat sociaal kapitaal inderdaad enige bescherming biedt tegen de negatieve gevolgen van COVID-19 voor de geestelijke gezondheid.
MULTIFILE
Background: Frailty is a common condition in older people, and its prevalence increases with age. With an ageing population, the adverse consequences of frailty cause an increasing appeal to the health care system. The impact of frailty on population level is often assessed using adverse health outcomes, such as mortality and medication use. Use of community nursing services and services offered through the Social Support Act are hardly used in assessing the impact of frailty. However, these services are important types of care use, especially in relation to ageing in place. In this cross-sectional study, we aimed to assess the impact of frailty on use of Social Support Act services, use of community nursing services, medication use, and mortality. Methods: We used a frailty index, the FI-HM37, that was based on data from the Dutch Public Health Monitor 2016, for which respondents ≥ 65 years of age were included (n = 233,498). The association between frailty, the use of Social Support Act services, community nursing services and medication use was assessed using the Zero Inflated Poisson (ZIP) regression method. Survival analysis using Cox proportional hazards regression was conducted to estimate the hazard ratios for the association between frailty and mortality. Results: The ZIP regression with a final sample size of 181,350 showed that frailty affected care use even after correcting for several covariates mentioned in the literature. For each unit increase in frailty index (FI) score, the relative probability of using zero Social Support services decreased with 7.7 (p < 0.001). The relative chance of zero community nursing services decreased with 4.0 (p < 0.001) for each unit increase in FI score. Furthermore, for each unit increase in FI score, the likelihood of zero medication use decreased with 2.9 (p < 0.001). Finally, for each unit increase in FI score, the mortality risk was 3.8 times higher (CI = 3.4–4.3; p < 0.001). Conclusions: We demonstrated that frailty negatively affects the use of Social Support Act services, the use of community nursing services, medication use, and mortality risk. This study is the first to demonstrate the impact of frailty on Social Support Act services and community nursing services in the Netherlands. Findings emphasize the importance of frailty prevention for older people and public health policy.
DOCUMENT
What is known in scientific literature at this point in time about the effects of the measures against the transmission of the coronavirus and what is the meaning of this for the organisers of events?
DOCUMENT
Wat is er op dit moment (medio augustus 2020) in de wetenschappelijke literatuur bekend over (de effecten van maatregelen tegen) de verspreiding van het coronavirus en wat is de betekenis daarvan voor organisatoren van evenementen?
DOCUMENT
BACKGROUND: The intensity of ventilation, reflected by driving pressure (ΔP) and mechanical power (MP), has an association with outcome in invasively ventilated patients with or without acute respiratory distress syndrome (ARDS). It is uncertain if a similar association exists in coronavirus disease 2019 (COVID-19) patients with acute respiratory failure.METHODS: We aimed to investigate the impact of intensity of ventilation on patient outcome. The PRoVENT-COVID study is a national multicenter observational study in COVID-19 patients receiving invasive ventilation. Ventilator parameters were collected a fixed time points on the first calendar day of invasive ventilation. Mean dynamic ΔP and MP were calculated for individual patients at time points without evidence of spontaneous breathing. A Cox proportional hazard model, and a double stratification analysis adjusted for confounders were used to estimate the independent associations of ΔP and MP with outcome. The primary endpoint was 28-day mortality.RESULTS: In 825 patients included in this analysis, 28-day mortality was 27.5%. ΔP was not independently associated with mortality (HR 1.02 [95% confidence interval 0.88-1.18]; P = 0.750). MP, however, was independently associated with 28-day mortality (HR 1.17 [95% CI 1.01-1.36]; P = 0.031), and increasing quartiles of MP, stratified on comparable levels of ΔP, had higher risks of 28-day mortality (HR 1.15 [95% CI 1.01-1.30]; P = 0.028).CONCLUSIONS: In this cohort of critically ill invasively ventilated COVID-19 patients with acute respiratory failure, we show an independent association of MP, but not ΔP with 28-day mortality. MP could serve as one prognostic biomarker in addition to ΔP in these patients. Efforts aiming at limiting both ΔP and MP could translate in a better outcome. Trial registration Clinicaltrials.gov (study identifier NCT04346342).
DOCUMENT
Samenvatting Achtergrond: Een integrale behandeling inclusief zelfmanagement bij chronisch obstructieve longziekte (COPD) leidt tot betere klinische resultaten. eHealth kan zorgen voor meer betrokkenheid bij patiënten waardoor ze in staat zijn een gezondere levensstijl aan te nemen en vast te houden. Desondanks is er geen eenduidig bewijs van de impact van eHealth op de kwaliteit van leven (quality of life (QoL)). Doel: Het primaire doel van de e-Vita COPD-studie was om te onderzoeken wat de effecten zijn van het gebruik van eeneHealth-platform voor patiënten op de verschillende domeinen van ziektespecifieke kwaliteit van leven van COPD-patiënten (CCQ). Methoden: We hebben de impact beoordeeld van het gebruik van een eHealth-platform op de klinische COPD-vragenlijst (CCQ). Deze vragenlijst omvatte subschalen van symptomen, functionele en mentale toestand. Een design met onderbroken tijdreeksen (interrupted time series (ITS)) is gebruikt om CCQ-gegevens op verschillende tijdstippen te verzamelen. Er is gebruik gemaakt van multilevel lineaire regressieanalyse om de CCQ-trends vóór en na de interventie te vergelijken. Resultaten: Van de 742 uitgenodigde COPD-patiënten hebben er 244 het document voor ‘informed consent’ ondertekend. In de analyses hebben we uitsluitend patiënten opgenomen die daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van het eHealthplatform (n=123). De afname van CCQ-symptomen was 0,20% vóór de interventie en 0,27% na de interventie; dit was een statistisch significant verschil (P=0,027). De daling van CCQ-mentale toestand was 0,97% vóór de interventie en na de interventie was er sprake van een stijging van 0,017%; dit verschil was statistisch significant (P=0,01). Er werd geen significant verschil vastgesteld in het verloop van CCQ (P=0,12) en CCQ-functionele toestand (P=0,11) vóór en na de interventie. Conclusie: Het e-Vita eHealth-platform had een gunstig effect op de CCQ-symptomen van COPD-patiënten, maar niet op de functionele status. De CCQ-mentale toestand bleef stabiel na de interventie, maar dit was een verslechtering in vergelijking met de verbeterende situatie voorafgaand aan de start van het eHealth-platform. Deze studie laat dus zien dat patiënten na de introductie van het COPD-platform minder symptomen ervaarden, maar dat hun mentale toestand tegelijkertijd licht verslechterde. Zorgprofessionals moeten zich ervan bewust zijn dat, ondanks de verbetering van symptomen, er een lichte toename van angst en depressie kan optreden na invoering van een eHealth-interventie.
DOCUMENT
In dit rapport wordt beschreven hoe ETFI in 2015 samen met Jam Visual Thinking een project gestart zijn om de bouwstenen voor een strategienota aan te dragen. De gemeente Emmen heeft Stenden ETFI gevraagd de bouwstenen voor de nieuwe strategienota aan te dragen en een begin te maken met de politiek-bestuurlijke dialoog. Die bouwstenen dienen zich inhoudelijk vooral te richten op: • De ontwikkeling van de arbeidsmarkt en sociale structuur in de gemeente; • De economische positionering van de gemeente (industrie, techniek, logistiek, toerisme en recreatie).
DOCUMENT
Intreerede met als onderwerp de leefstijlverandering bij jongeren.
DOCUMENT
Openbare les van dr. Katerina Jerkovic-Cosic. De belangrijkste mondziekten zoals cariës (tandbederf), parodontitis (tandvleesontsteking) en mondkanker, worden net als welvaartsziekten veroorzaakt door een ongezonde leefstijl en zijn door middel van preventie te voorkomen. Een groot deel van de Nederlandse bevolking gaat minimaal één keer per jaar naar een tandarts of mondhygiënist voor een controle. Toch is mondzorg in Nederland nog steeds veelal gericht op curatie en minder op preventie. Het overgrote deel van de geleverde mondzorg is gericht op herstel, terwijl veel minder activiteiten zijn gericht op het voorkomen van mondziekten, door bijvoorbeeld aanpassing in de leefstijl of mondverzorging. De noodzaak voor preventie wordt steeds duidelijker. Een van de redenen is de enorme stijging van de zorgkosten.
DOCUMENT