Wood is an increasingly demanded renewable resource and an important raw material for construction and materials. Demands are rising, with a growing attention for re-use and upcycling. This opens opportunities for new business models, empowered by the use of digital design and technologies. A KPI-framework has thus been developed to assess the impact of waste wood upcycling, to provide new business perspectives. It is conceived as a tool to enable circular businesses to select the most appropriate circular wood applications for their portfolio. The framework currently consists of eight indicators addressing circularity, environment, society and economics. This paper presents these indicators and shares insights for further development and enhancement of the framework.
MULTIFILE
This paper provides new insights into entrepreneurship education (EE) for children, by combining three elements that expand the EE literature in a novel direction: (1) the content focus is on social and sustainable entrepreneurship; (2) the educational setting studied is primary education; and (3) the focus is on the effects as perceived by the participating children themselves.Explorative research was done on two programs delivered by EE provider Fawaka School of Entrepreneurship in the city of Amsterdam, the Netherlands. A one-group pre-test/post-test survey among the full population of 450 participating children was conducted in 2021. The results provide clues that a program focused on sustainable and social entrepreneurship can provide different results than more ‘general’ programs on entrepreneurship, in particular with regard to differences between girls and boys. After the program, differences in entrepreneurial intentions are significantly smaller, and a number of significant differences with regard to self-confidence disappear.
MULTIFILE
This paper presents the results of the research project ‘Going Eco, Going Dutch’ (2015- 2017), which investigated the production, design and branding of fashion textiles made from locally produced hemp fibers in the Netherlands. For fashion labels and designers it is often difficult to scrutinize the production of textile fabrics manufactured in non-European countries due to physical distance and, often, non-transparency. At the same time, many designers and established fashion brands increasingly search for sustainable textiles that could be recycled or upcycled after being used by consumers. For the project ‘Going Eco, Going Dutch’, local textile manufacturers and fashion brands closely collaborated to explore how to develop fashionable textiles made from locally produced hemp – from the very first fiber to the final branding of the fashion product. In addition to the technical insights on the production of hemp, this paper will present and highlight the importance of the visual identity of the textiles, which was created by using Dutch traditional crafts – suggesting that this should be understood in terms of Kristine Harper’s ‘aesthetic sustainability’ (2017) as an essential design strategy. In addition, this paper will reflect on the importance of storytelling by focusing on locality and transparency, and on creating an emotional bond and connection between producer, product and consumer. This paper will argue that this form of ‘emotional durability’ (Chapman, 2005, 2009) is essential to both design and branding strategies. Moreover, this paper will critically reflect on the performance of Dutchness – Dutch national identity – through these locally produced fibers, textiles and fashion products.
MULTIFILE
Dit project: Action Research voor Tweedehandskleding (ART) richt zich op het verbeteren van de mogelijkheden voor tweedehandskleding verkoop. Bij ART staan praktijkvragen centraal, zoals: Welke stromen afgedankte kleding zijn geschikt voor tweedehandsgebruik en waarom? Hoe kunnen deze stromen aan tweedehandskleding opnieuw aantrekkelijk gemaakt worden? Of worden ge-upcycled? Deze praktijkvragen spelen bij o.a. The Swapshop: een MKB-bedrijf met twee winkels (Amsterdam en Rotterdam). The Swapshop heeft een ‘ruil’-model waarbij de ontvangen kleding ‘swaps’ opleveren voor de klant. Deze swaps geven korting bij kledingaanschaf in de winkel. Dit model blijkt kwetsbaar, omdat er swap-waarde zit in de 40% aan kledingitems, die onverkoopbaar blijken te zijn. De Swapshop heeft op basis van uitkomsten van het HU-onderzoeksproject FACILE (Fashion Circular by Logistics Excellence) contact met de HU gezocht. Hieruit is de kans ontstaan om Action Research onderzoek in te zetten voor onderzoek naar hoe uitgerangeerde tweedehandskleding vanwege de vezelwaarde zo lang mogelijk waardevol blijft circuleren. Hiervoor wordt een living lab opgezet waaraan ook The Swapshop gaat deelnemen. De Green Offices op Utrecht Science Park (USP) van de HU en de Universiteit (beiden werken al met een rek tweedehandskleding) nemen deel aan het onderzoek. Het HU Denver House (Self-sufficient Challenge House) is de beoogde locatie voor het ‘Swap-Lab’, waar langere tijd onderzoek kan plaatsvinden (KIEM-project plus opvolgend project). Naast de inzichten levert ART een netwerk aan bedrijven, die diensten aanbieden om de kledingvezel-waarde te behouden (wassen, repareren, vermaken, hergebruiken voor andere items wellicht zelfs als woningtextiel). Met inzicht in nieuwe mogelijkheden om kledingitems aantrekkelijk te maken voor hergebruik, wordt een vervolgonderzoek geformuleerd om deze geslaagde gevonden oplossingen uit de Utrechtse praktijk landelijk te gaan opschalen. Met dat onderzoeksplan eindigt dit ART-project.
Dit project: Action Research Tweedehandskleding Circulair Experimenteren (ARTce) richt zich op het verbeteren van de mogelijkheden voor tweedehandskledingverkoop. Bij ARTce staan praktijkvragen centraal, zoals: Welke stromen afgedankte kleding zijn geschikt voor tweedehandsgebruik en waarom? Hoe kunnen deze stromen aan tweedehandskleding opnieuw aantrekkelijk gemaakt worden? Of worden ge-upcycled? Deze praktijkvragen spelen bij o.a. The Swapshop: een MKB-bedrijf met twee winkels (Amsterdam en Rotterdam). The Swapshop heeft een ‘ruil’-model waarbij de ontvangen kleding ‘swaps’ opleveren voor de klant. Deze swaps geven korting bij kledingaanschaf in de winkel. Dit model blijkt kwetsbaar, omdat er swap-waarde zit in de 40% aan kledingitems, die onverkoopbaar blijken te zijn. Door samenwerking met kledinginzamelaar Sympany, komt er iets van waarde retour. De Swapshop heeft op basis van uitkomsten van het circulaire fashion onderzoek van de HU contact met de HU-onderzoekrs gezocht. Hieruit is de kans ontstaan om Action Research onderzoek in te zetten voor onderzoek naar hoe uitgerangeerde tweedehandskleding vanwege de vezelwaarde zo lang mogelijk waardevol blijft circuleren. Hiervoor wordt een living lab opgezet waaraan The Swapshop en Sympany gaan deelnemen. De Green Offices op Utrecht Science Park (USP) van de HU en de Universiteit nemen deel aan het onderzoek. Het HU Denver House (Self-sufficient Challenge House van 2017) is de beoogde locatie voor het ‘Swap-Lab’, waar langere tijd onderzoek mag gaan plaatsvinden (KIEM-project plus opvolgende projecten de komende vijf jaar). Naast de inzichten levert ARTce een netwerk aan bedrijven, die diensten aanbieden om de kledingvezel-waarde te behouden (wassen, repareren, vermaken, hergebruiken voor andere items, wellicht zelfs als woningtextiel). Met inzicht in nieuwe mogelijkheden om kledingitems aantrekkelijk te maken en te houden voor hergebruik, wordt een vervolgonderzoek geformuleerd om de succesvolste gevonden oplossingen uit de Utrechtse praktijk landelijk te gaan opschalen. Met dat onderzoeksplan eindigt dit ARTce-project.
Phosphorus is an essential element for life, whether in the agricultural sector or in the chemical industry to make products such as flame retardants and batteries. Almost all the phosphorus we use are mined from phosphate rocks. Since Europe scarcely has any mine, we therefore depend on imported phosphate, which poses a risk of supply. To that effect, Europe has listed phosphate as one of its main critical raw materials. This creates a need for the search for alternative sources of phosphate such as wastewater, since most of the phosphate we use end up in our wastewater. Additionally, the direct discharge of wastewater with high concentration of phosphorus (typically > 50 ppb phosphorus) creates a range of environmental problems such as eutrophication . In this context, the Dutch start-up company, SusPhos, created a process to produce biobased flame retardants using phosphorus recovered from municipal wastewater. Flame retardants are often used in textiles, furniture, electronics, construction materials, to mention a few. They are important for safety reasons since they can help prevent or spread fires. Currently, almost all the phosphate flame retardants in the market are obtained from phosphate rocks, but SusPhos is changing this paradigm by being the first company to produce phosphate flame retardants from waste. The process developed by SusPhos to upcycle phosphate-rich streams to high-quality flame retardant can be considered to be in the TRL 5. The company seeks to move further to a TRL 7 via building and operating a demo-scale plant in 2021/2022. BioFlame proposes a collaboration between a SME (SusPhos), a ZZP (Willem Schipper Consultancy) and HBO institute group (Water Technology, NHL Stenden) to expand the available expertise and generate the necessary infrastructure to tackle this transition challenge.