In de uitnodiging voor deze les wordt de vraag opgeworpen wat kwartiermaken betekent voor de opleiding tot sociale professional in tijden van materiële en morele onzekerheid. Zygmunt Bauman (2011) spreekt over vloeibare tijden waarin zowel instituties als het individuele leven vloeibaar, dat wil zeggen onzeker zijn. Dat leidt tot enerzijds desintegratie van het sociale leven en een teloorgang van bestaande instituties van collectief handelen. Van de mens wordt gevraagd flexibel te zijn en zich aan te passen aan de snelheid waarmee het bestaande vervloeit. Daarmee creëren deze vloeibare tijden hun eigen vreemdelingen; hun eigen harde grenzen tussen binnenstaanders en buitenstaanders (Schinkel, 2011). In het slothoofdstuk Utopia in een tijd van onzekerheid geeft Bauman ons als het ware de opdracht mee om te identificeren wie en wat die harde grenzen doen voortbestaan en om ruimte te geven aan tegenkrachten: de vreemdelingen en buitenstaanders en hun bondgenoten. Om hen te helpen om de druk om te aanvaarden zoals het is, te weerstaan. Na een persoonlijke inleiding introduceer ik in het navolgende kwartiermaken als een praktijk waarin wordt geprobeerd maatschappelijke contexten van bedoelde en onbedoelde uitsluiting te beïnvloeden. Voor het werken aan gastvrijheid voor vreemdheid zijn filosofische reflecties behulpzaam gebleken. Dat laat ik zien in het tweede hoofdstuk. Het derde hoofdstuk geeft weer hoe ik aankijk tegen onderzoek en welke thema’s ik bij de kop wil vatten. In het vierde hoofdstuk besluit ik met de opdracht die ik zie voor het onderwijs in deze vloeibare tijden. Tussendoor komt een drietal kwartiermakers aan bod.
Being an artist in Post-Fordist Times, sketches a provocative impression of the manner in which prominent artists, theorests and art intermediaries relate to economic, political, social and ecological issues. It presents an instructive narrative about power and impotence, cyniscism and utopia, nihilism and engagement aimed at all those who presently dare themselves to call themselves artists and everyone who wants to understand and defend the importance of the role of the arts in society
In 1916 publiceerde Paul van Ostaijen de dichtbundel Music-Hall. Vormen deze gedichten een verslag van het uitgaansleven van Antwerpen in 1916? Is Music-Hail de weergave van de modeme tijd? In Music-Hall wordt de steer geschetst van een samenleving die gelukkig is en die, zolang de Music-Hall geopend is, grenst aan een utopische samenleving waarin een ieder deel uitmaakt van de zielvanhetgeheel.