Artikel studenten Facility Management. Beoordeling: 7.
MULTIFILE
De Tijdelijke Commissie Leraren onder leiding van Rinnooy Kan (2007) heeft gepleit voor een ster-kere rol van leraren bij het formuleren en bewaken van de professionele kwaliteit. Dat betekent dat (de beroepsgroep van) leraren een standaard moeten formuleren voor de professionele kwaliteit, voor de kennis en vaardigheden die de leden van het ‘gilde’ van leraren dienen te bezitten. Tegelijk moet de eigen professionele kwaliteit afgezet worden tegen die gildekennis.Dat geldt voor leraren, maar ook voor studenten. Ook zij moeten inzicht hebben in wat er aan professionele kwaliteit van leraren verwacht wordt en dat kunnen relateren aan het niveau van professionele kwaliteit dat zij op dat moment bezitten. Lerarenopleiders kunnen een bijdrage leveren aan het leren van studenten als zij bewuster omgaan met het geven van feedback. Door de rol van feedback in het leren van studenten te verkennen, en vragen te stellen over welke proces-sen gaande zijn bij studenten tijdens het ontvangen van feedback en welke kwaliteitseisen gesteld kunnen worden aan feedback, kunnen lerarenopleiders studenten beter ondersteunen in hun ontwikkeling. Dialoog is hierbij van essentieel belang.
MULTIFILE
Het onderzoek in dit proefschrift richt zich op de introductie van onderzoek in het curriculum van een pabo. Het doel was om een aantal theoretisch en empirisch onderbouwde design-principes te genereren die ten grondslag zouden moeten liggen aan een introductiecursus 'onderzoek' gericht op de ontwikkeling van onderzoekskennis en -vaardigheden, positieve opvattingen en en een positieve houding ten aanzien van onderzoek bij tweedejaars pabostudenten. Bij de opzet van het onderzoek is een ontwerpgerichte aanpak gebruikt. Er heeft een literatuurstudie plaatsgevonden met als doel design-principes te formuleren die in theorie een positieve invloed hebben op het leren van studenten over onderzoek. Deze principes zijn als uitgangspunt genomen om de introductiecursus te ontwikkelen. Deze cursus is twee keer uitgevoerd en onderzocht: in een pilotstudie en een tweede studie één (studie)jaar later. De centrale onderzoeksvraag van dit promotieonderzoek luidde als volgt: Welke design-principes van een introductiecursus in onderzoek in een pabocurriculum dragen bij aan de ontwikkeling van onderzoekskennis en -vaardigheden, positieve opvattingen en een positieve houding ten aanzien van onderzoek, en op welke manier dragen zij daaraan bij? Studentvragenlijsten, concept maps en groepsinterviews zijn gebruikt om de bijdrage van de introductiecursus aan de doelen (ontwikkeling van positieve opvattingen/houding, kennis en vaardigheden m.b.t. onderzoek) vast te kunnnen stellen. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat het mogelijk is om in een pabo een introductiecursus 'onderzoek' te ontwikkelen waarin pabostudenten onderzoekskennis en -vaardigheden ontwikkelen, tezamen met positieve opvattingen en een positieve houding ten aanzien van onderzoek. De bevindingen van de studies in dit proefschrift geven aan dat het belangrijk is om onderzoek in het begin van de opleiding te introduceren. Er lijken twee 'karakteristieken' voor het slagen van een dergelijke cursus essentieel te zijn. Ten eerste is het van belang om zoveel mogelijk voorbeelden van onderzoek uit de onderwijspraktijk te gebruiken. Niet alleen voorbeelden van onderzoek door leraren, maar ook voorbeelden van hoe onderzoek en onderzoeksvaardigheden een plek hebben in de dagelijkse praktijk van de leraar (zoals bij het analyseren van leerlinggegevens of het construeren van een goede toets). Ten tweede noemden de studenten de 'onderzoeksmatige' opzet van de bijeenkomsten in de cursus als waardevol. Het stimuleren van het delen van voorkennis en concepties, daarover discussiëren en het 'moeten' onderbouwen van meningen en opvattingen droegen niet alleen bij aan de kennisontwikkeling, maar ook aan de ontwikkeling van een kritische houding en inzichten in de waarde en toepassingsmogelijkheden van onderzoek in de onderwijspraktijk. Docenten in lerarenopleidingen die zich bezighouden met onderzoeksactiviteiten zouden volgens de studenten niet alleen experts moeten zijn op het gebied van onderzoek, maar ook in staat moeten zijn om deze expertise door te vertalen naar een 'onderzoeksmatige' leeromgeving tijdens de cursusbijeenkomsten.
Met het lezen van (jeugd)literatuur in Nederland staat het er slecht voor (Gubbels et al., 2019). Pabodocenten noemen slechts een derde van hun afstuderende studenten ‘voldoende literair competent’ (Oberon, 2020, p. 16). Pabostudenten van Driestar hogeschool lezen voor hun opleiding relatief veel, namelijk ongeveer 30 jeugdboeken. Qua thematiek maken ze echter veilige, conservatieve, keuzes (Vos et al., 2020; Aantjes et al,. 2020). Indien zij breder en diepgaander zouden leren lezen, kunnen ze zich meer bewust worden van het belang van lezen. Allereerst van lezen als een manier van denken (Koek et al., 2019). Ten tweede als een middel om morele en persoonlijke vorming gestalte te geven (Schrijvers et al., 2016). Ten derde om daarmee bijvoorbeeld burgerschapsonderwijs te realiseren, waarvoor de eigen horizonverbreding helpend is. Een goede mogelijkheid om zowel meer breedte qua thematiek als meer diepgang in het lezen te bereiken lijkt te liggen in het toepassen van de acht complementaire deelaspecten van de didactiek Thinking aloud (Janssen et al., 2012). Omdat extra contacttijd in het curriculum niet te realiseren is, moet de opleidingspraktijk op digitale wijze verstevigd worden. Dat met digitale middelen veel bereikt kan worden is door de coronapandemie gebleken. De onderzoeksvraag luidt daarom als volgt: Kan de didactiek hardop denken bij het lezen van (jeugd)literatuur door pabostudenten via digitale middelen bijdragen aan hun waardering van jeugdliteratuur en het vergroten van hun inzicht in de werking ervan? De onderzoeksvraag zal worden beantwoord met een quasi-experimenteel ‘mixed methods’ design. Voorafgaande aan de interventie worden teksten geselecteerd. De onderzoeker vervaardigt een aantal ‘educational videos’, waarbij een aantal deelaspecten van thinking aloud al lezend aan de orde komen. In een voormeting en nameting worden enkele gevalideerde leesattitudeschalen afgenomen. Daarnaast vindt kwalitatieve elicitatie plaats van percepties van studenten met verschillende datacollectie-instrumenten gedurende diverse momenten tijdens en na de interventie.
De publieke opinie over de veehouderij (BEUC, 2024) in combinatie met wijzigingen in de wet dieren betekenen dat het houden van vee anders moet. De positief benadering van dierenwelzijn vormt de basis voor de zes leidende principes van dierenwelzijn in de zienswijze “dierwaardige veehouderij” (RDA, 2021). Deze zienswijze is de aanleiding geweest voor meerdere wetsvoorstellen in de tweede kamer over de dierwaardige veehouderij. Op het moment van schrijven lijkt dat het houden van vee vanaf 2040 in ieder geval anders moet. De gangbare veehouderij staat voor een uitdaging als het moet voldoen aan deze dierwaardige manier van vee houden. Inzicht verkrijgen in de percepties t.a.v.dierenwelzijn van verschillende rundveehouders is een centraal thema in dit onderzoeksvoorstel. Inzicht wordt verkregen over wat rundveehouders waarnemen t.a.v. dierenwelzijn bij hun vee, hoe ze dit interpreteren en vervolgens hoe ze hun waarnemingen beschrijven. Inzicht in de taal van verschillende rundveehouders en het gesprek erover stelt ze in staat om van en met elkaar te leren en het gesprek aan te kunnen gaan met elkaar, met onderzoekers en met burgers. Hierdoor bereiden wij de veehouders beter voor op de transitie naar een dierwaardige veehouderij. In dit voorstel is ook nadrukkelijk aandacht voor de ontwikkelingen van veehouderij studenten en -docenten die respectievelijk in staat moeten zijn om de noodzakelijke transities tot dierwaardige veehouders te maken en de rundveehouders van de toekomst op te leiden. Mbo- en hbo studenten, docenten en docent-onderzoekers zijn betrokken bij het uitvoeren van dit onderzoek. Het betreft een samenwerking tussen het Aeres practoraat dierenwelzijn en –gezondheid, de opleiding Dier in de Duurzame Samenleving van Inholland Delft en het lectoraat Management van Rundergezondheid van Aeres Hogeschool Dronten, en vier rundveehouders (zowel regulier als alternatief).
Ouderen en andere groepen burgers met (dreigende) gezondheidsproblemen kunnen zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen als er voldoende woningen geschikt zijn of relatief eenvoudig geschikt te maken zijn voor bewoning tot op hoge leeftijd. Het tijdig levensloopbestendig maken van particuliere woningen komt langzaam op gang in Nederland. In Horst aan de Maas, een gemeente waarin 80% van de woningen in particulier bezit is en slechts een fractie levensloopbestendig is, willen lokale MKB ondernemingen een integrale dienst ontwikkelen voor het levensloopbestendig maken van particuliere woningen. Een consortium van twee MKB ondernemingen (ComfortCreators en De Merwijck BouwIQ), de gemeente Horst aan de Maas en Zuyd Hogeschool / EIZT gaat samenwerken met een negental andere lokale MKB ondernemingen, de lokale Rabobank, particuliere woningbezitters, de HAN en diverse relevante (landelijke) organisaties aan de volgende onderzoeksvraag: Hoe ziet een integrale dienst (en tools) voor advisering over en realisatie van aanpassingen aan de woning in het kader van levensloopbestendigheid eruit, en welke strategieën werken om de doelgroep 40 t/m 70 jaar tot gebruik van de dienst en een investeringsbeslissing aan te zetten? Deze vraag wordt in 3 fasen (ontwikkelen/positioneren, testen en implementeren/opschalen) opgepakt met een variatie aan onderzoeksmethoden. Sterk wordt ingezet op het samenbrengen van perspectieven van MKB ondernemingen, particuliere woningbezitters en externe experts tot een integrale dienst van MKB ondernemingen en andere stakeholders (bank, gemeente), waarmee de particuliere woningbezitter zich “ontzorgd” voelt en eerder tot een preventieve woningaanpassing overgaat. Gegeven de vele en gevarieerde partners in dit project hebben wij er vertrouwen in dat we gezamenlijk in staat zijn dit te realiseren, niet alleen voor het gebied waar deze MKB ondernemingen het initiatief genomen hebben, maar zeker ook voor andere gebieden in Nederland. De nieuw ontwikkelde kennis wordt tevens gebruikt in het hoger onderwijs (o.a. Built Environment, Commercieel Management, Engineering, Ergotherapie, Facility Management).