In our work as lecturers, teachers, researchers, coaches or managers in a university of applied sciences, we do feel that the amount and variety of societal challenges on higher vocational education (HVE) is growing. Institutions in HE are in a process of transforming from traditional ‘either or’ research or education institutions into more complex hybrid knowledge institutions. Nowadays, universities of applied sciences (as institutions for HVE) in The Netherlands have three main objectives: providing education, conducting practice-oriented research to add to the professional knowledge base, and contributing to innovation in the professional fields of work. Education, research and innovation form the three pillars in the strategy of Dutch Universities of Applied Sciences (Educational Council of The Netherlands, 2015). These changing societal demands form an impetus for educational reform and innovation at both organizational and individual employee levels (Cummings & Shin, 2014). Changes in context and roles lead to questions: As a teacher/lecturer/researcher, how do I relate to the different stakeholders? What is the real meaning of being a ‘good’ lecturer or researcher in creating added values, and for whom? Some propose that the new challenges concern everybody and thus should be everyone’s job. But when everything becomes everyone’s job, how can we really realize the required added values? Others promote a more differentiated approach of accurately fitting talents and tasks to create the flow and employee satisfaction that is needed to realize the desired outcomes. But then how do we work together and cooperate with such an individualistic approach? These opposing positions in the discourse concern the question of how to define the ‘professional me’ amongst the ‘we’. In other words, the challenge is how we define and navigate our professional identities within the context of a dynamic multiple-identity organization with increasing pressures for professional diversity (Foreman & Whetten, 2002; Aangenendt, 2015).
Since 2020, the COVID-19 pandemic has had a major impact on personal, social and societal life worldwide. The virus threatens the physical health, social contacts and financial and economic security of many. The pandemic has led to polarisation in society, to an increase in social inequality, to a threat to democratic rights and to international tensions. Social work has not been left unaffected either. Based on research conducted by the Centre for Social Innovation of HU University of Applied Sciences Utrecht Netherlands and financed by ZonMw, a concise ethical manual was developed for social professionals in crisis situations. It contains a series of questions for reflection that can be used to make the most important ethical challenges explicit and to take action. The guide is also suitable for carrying out a brief ethical review, as it were, individually or collectively, in the hectic day-to-day work.
MULTIFILE
The role and ethics of professionals in business and economics have been questioned, especially after the financial crisis of 2008. Some suggest a reorientation using concepts such as craftsmanship. In this article, I will explore professional practices within the context of behavioural theory and business ethics. I suggest that scholars of behavioural theory need a strategy to deal with normative questions to meet their ambition of practical relevance. Evidence-based management (EBMgt), a recent behavioural approach, may assist business ethics scholars in understanding how professionals infer ‘evidence’ to make decisions. For a professional, ethical issues are an integral part of decision-making at critical moments. As reflective practitioners, they develop insights related to ethical concerns when collecting and assessing evidence within decision-making processes.
De alliantie tussen professionals en cliënten in de jeugdzorg is een krachtige algemeen werkzame factor in de hulp aan kinderen en ouders met opvoedproblemen. De alliantie tussen professionals en cliënten bestaat uit de persoonlijke klik, overeenstemming over de doelen waaraan gewerkt wordt en de wijze waarop er samengewerkt wordt aan die doelen. Een positieve alliantie in een vroeg stadium van het hulpverleningstraject is een betrouwbare voorspeller van een positieve uitkomst. Het vroegtijdig zicht krijgen op de kwaliteit van de alliantie geeft de mogelijkheid om breuken en deuken in beeld te brengen en vroegtijdig bespreekbaar te maken en te herstellen. Het ritueel om de alliantie bespreekbaar te maken wordt in de praktijk nog weinig gestalte gegeven. Het vergt van professionals een scherp observatievermogen, goede reflectievaardigheden en de nodige creativiteit om het ritueel in het primair proces te passen. Met de te ontwikkelen experimentele leerlijn waar deze aanvraag op ingaat willen werkveldpartners inzetten op het aanleren van deze vaardigheden.
Kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) komen te vaak in de problemen in het onderwijs, waarbij een deel van de kinderen zelfs uit het onderwijs valt. Dit heeft mogelijkerwijs te maken met twee duidelijke knelpunten van het beleid van passend onderwijs. Ten eerste is passend onderwijs nog te veel een bestuurlijk construct en nauwelijks op het handelingsniveau van professionals gericht. Ten tweede vormen de grenzen van onderwijs en de jeugdhulpverlening nog te veel een belemmering om met vereende kracht leerlingen op maat te ondersteunen. Het op maat ondersteunen vraagt om een versteviging van vaardigheden van leerkrachten en jeugdhulpverleners om het welbevinden en leergedrag van ASS-leerlingen te stimuleren. Daarbij kunnen professionals elkaars expertise beter benutten om op deze manier samen in de klas op een talentgerichte wijze het welbevinden en leergedrag van leerlingen met ASS te ondersteunen. Het doel van deze aanvraag is het ontwikkelen van een bruikbaar prototype van een professionaliseringsaanbod voor leerkrachten en jeugdhulpverleners dat de vaardigheden die deze professionals in de klas nodig hebben versterkt, zodat leerlingen met ASS op een passende wijze ondersteund worden in hun leergedrag en welbevinden. Het consortium –bestaande uit leerkrachten uit het (speciaal) primair onderwijs, jeugdhulpverleners, gedragsdeskundigen – managers en onderzoekers, brengt via een ontwerponderzoek de behoeftes en benodigde vaardigheden in kaart en ontwikkelt ontwerpprincipes en een concept professionaliseringsaanbod. Dit concept is de basis van een professionaliseringsaanbod waarmee een bredere groep leerkrachten en jeugdhulpverleners tools krijgt om leerlingen met ASS effectief te ondersteunen. Het doel van deze aanvraag is in lijn met het landelijk beleid rondom passend onderwijs en de nationale wetenschapsagenda bij het thema ‘Jeugd in ontwikkeling, opvoeding en onderwijs’. Verbetering van het handelen van leerkrachten en jeugdhulpverleners in een integrale aanpak zorgt voor betere schoolresultaten, minder schooluitval en een betere communicatie tussen leerkrachten en hulpverleners en draagt bij aan een inclusieve maatschappij.
Samenvatting Mensen met een beperking (psychiatrisch, verstandelijk, lichamelijk) wonen tegenwoordig vaker zelfstandig en doen voor hun ondersteuning daarom vaker een beroep op mensen in de buurt waar zij wonen. Dit betekent voor de professionele hulpverleners dat zij een steeds grotere taak krijgen in het versterken van het sociale netwerk van mensen met een beperking, en het (op deze wijze) bevorderen van inclusie in de buurt. In hun werk merken zorg- en welzijnsprofessionals op dat, soms relatief spontaan ingezette of kleine initiatieven succesvol kunnen zijn, maar soms ook niet. De professionals hebben wel ideeën over wat goed werkt en wat niet, maar dit is niet op één centrale plek vastgelegd, en daarbij soms onduidelijk en afhankelijk van de context. Zij vragen zich af hoe ze de informatie die ze elk hebben kunnen bundelen en tot meer inzicht kunnen komen in wat werkt, in welke situatie en in welke context. In het project wordt samengewerkt door de Hogeschool van Amsterdam (AKMI / Lectoraat Community Care), de Sociaal Werkopleidingen van de HvA, de Afdeling onderwijs, jeugd en zorg van de Gemeente Amsterdam, GGD Amsterdam, Cliëntenbelang Amsterdam, Centrum voor Cliëntervaringen (i.s.m. VuMcAmsterdam), De Regenbooggroep, Cordaan en Stichting Prisma. In dit onderzoek zullen drie verschillende buurtgerichte interventies worden getoetst aan de hand van de ‘what works’ principes (wwp). De interventies gericht op het bevorderen van de sociale inclusie van mensen met beperkingen in de buurt worden geëvalueerd door cliënten/ ervaringsdeskundigen, zorg- en welzijnsprofessionals en buurtbewoners. Voor dit onderzoek is gekozen voor ‘realis evaluation’, waarin niet het effect op zich wordt onderzocht, maar de werkzame elementen van een interventie. Belangrijke opbrengsten van het project zijn: 1) het determineren en beschrijven van werkzame elementen die leidend kunnen zijn voor het bedenken en/of beoordelen van initiatieven om de netwerken van mensen met een beperking in de buurt te versterken; 2) op basis daarvan een handreiking bieden voor professionals.