Over het houden van en de omgang met dieren is de laatste decennia veel maatschappelijk debat. Of het nu gaat om houderijsystemen, ziektes die kunnen overgaan van dier op mens, dieren die worden ingezet in de sport of die leven in het wild. Het CoE-cluster dier/lectorenplatform DiP wil bijdragen aan kenniscreatie en -overdracht door middel van praktijkgericht onderzoek. Dit om handelingsperspectief te creëren voor mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van het houden van en de omgang met dieren, als educatiebron voor hobby-eigenaren, als beleidsverrijking voor verschillende overheden en om in de maatschappelijke dialoog de feiten van de fabels te kunnen scheiden.Vanuit een gezamenlijk ambitie wordt de komende jaren gewerkt aan een praktijkgerichte agenda rond Dierwaardigheid in Praktijk. Met focus op zes thema’s:- Dierindicatoren- Diergericht ontwerpen- Omgang met dieren- One Health- Waardecreatie- Maatschappelijk draagvlak. Deze zes thema’s gezamenlijk hebben doorwerking richting het dier zelf, op de mens als individu en ook op de maatschappij als geheel.
MULTIFILE
Over het houden van en de omgang met dieren is de laatste decennia veel maatschappelijk debat. Of het nu gaat om houderijsystemen, ziektes die kunnen overgaan van dier op mens, dieren die worden ingezet in de sport of die leven in het wild. Het CoE-cluster dier/lectorenplatform DiP wil bijdragen aan kenniscreatie en -overdracht door middel van praktijkgericht onderzoek. Dit om handelingsperspectief te creëren voor mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van het houden van en de omgang met dieren, als educatiebron voor hobby-eigenaren, als beleidsverrijking voor verschillende overheden en om in de maatschappelijke dialoog de feiten van de fabels te kunnen scheiden.Vanuit een gezamenlijk ambitie wordt de komende jaren gewerkt aan een praktijkgerichte agenda rond Dierwaardigheid in Praktijk. Met focus op zes thema’s:- Dierindicatoren- Diergericht ontwerpen- Omgang met dieren- One Health- Waardecreatie- Maatschappelijk draagvlak. Deze zes thema’s gezamenlijk hebben doorwerking richting het dier zelf, op de mens als individu en ook op de maatschappij als geheel.
MULTIFILE
Hoofdstuk 2 in Supportgericht werken in de Wmo In dit hoofdstuk bespreken we hoe maatschappelijke ondersteuning er in de praktijk uit kan zien. We beschrijven hoe de supportbenadering aansluit bij de ideeën van de Kanteling. Vervolgens gaan we in op het methodisch handen en voeten geven aan de supportbenadering. Dit is de methodiek van Supportgericht Werken.
We maken vrij toegankelijk, online opleidingsmateriaal voor lerarenopleidingen wiskunde. De basis hiervan vormt bestaand materiaal voor het voortgezet onderwijs uit het digitale repository van het Freudenthal Instituut. Dit materiaal wordt geactualiseerd en voorzien van opdrachten die studenten in de lerarenopleidingen uitdagen met het materiaal te oefenen in ontwerpen en uitvoeren van onderwijs.Doel We maken vrij toegankelijk, online opleidingsmateriaal voor lerarenopleidingen wiskunde. De basis hiervan vormt bestaand materiaal voor het voortgezet onderwijs uit het digitale repository van het Freudenthal Instituut. Dit materiaal wordt geactualiseerd en voorzien van opdrachten die studenten in de lerarenopleidingen uitdagen met het materiaal te oefenen in ontwerpen en uitvoeren van onderwijs. Om de effectiviteit van het materiaal te borgen en bij de opleidingen vertrouwen te kweken in het gebruik hiervan, ontwikkelen we een kwaliteitsstandaard. Zie voor meer informatie het activiteitenplan. Consortium/projectpartners HU, UU, NHL, HW, UvA, SLO (ondersteunend partner) Relevantie voor het onderwijs Momenteel geven alle lerarenopleidingen online opleidingsmateriaal een steeds grotere plaats in het curriculum. De wens, geëxpliciteerd in bijvoorbeeld het overleg van Samenwerkende Lerarenopleidingen Wiskunde, is om hierin samen te werken en materiaal ook open beschikbaar te stellen; dit is echter nog niet gerealiseerd. Een van de beoogde effecten van het plan is een verdere impuls in het gebruik en gezamenlijk beheer van open en online materiaal in alle opleidingen. Consortium/projectpartners HU, UU, NHL, HW, UvA, SLO (ondersteunend partner) Cofinanciering SURF Stimuleringsregeling Open en Online Onderwijs Resultaten We leveren in het project als resultaten op: (1) een verzameling open en online opleidingsmaterialen, (2) een kwaliteitsstandaard voor dergelijke materialen, (3) publicaties en structuren die bijdragen aan kennisdisseminatie en verduurzaming. Implementatie De kern van het project is om de rijke collectie leerlingmaterialen van het Freudenthal Instituut te actualiseren en vervolgens in te bedden in opleidingsmateriaal voor leraren-in-opleiding. Op deze manier slaan we een brug tussen het leerlingmateriaal en de behoeftes van de lerarenopleidingen, zodat de kwaliteit van de lerarenopleidingen verbetert en er zo impact is op het afnemend beroepenveld door effectiever didactisch handelen van leraren. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de relevante producten; we zullen deze nu nader toelichten. Om het bestaande leerlingmateriaal te gebruiken als opleidingsmateriaal zullen we het voorzien van studieopdrachten. In deze studieopdrachten zal de verbinding worden gelegd met het theoretische materiaal dat reeds is geproduceerd door de samenwerkingsverbanden van lerarenopleidingen. Deze studieopdrachten zijn van tweeërlei aard: een deel richt zich op uitvoering en een deel op ontwerp. Opdrachten in de categorie uitvoering richten zich op de inzet van het leerlingmateriaal in de stagepraktijk, inclusief een evaluatie daarvan. Zo doen leraren-in-opleiding concrete ervaringen op met vernieuwende didactiek zonder dat ze alle complexe didactische keuzes meteen zelf moeten maken. De categorie ontwerp betreft aanpassing of uitbreiding van het leerlingmateriaal door studenten. Ook hier geldt weer dat studenten bij een complexe taak, te weten onderwijsontwerp, al een structuur krijgen aangereikt. Dit sluit aan bij de voornoemde opleidingsdidactische aspecten: authenticiteit, modelling, scaffolding en inzet van boundary objects. Om de effectiviteit van het materiaal te borgen en bij de opleidingen vertrouwen te kweken in het gebruik hiervan, ontwikkelen we een kwaliteitsstandaard. Deze standaard bestaat uit drie onderdelen: i) criteria ten aanzien van vormgeving, ii) relevantie van het materiaal vanuit het oogpunt van de gewenste ontwikkeling van het wiskundeonderwijs, en iii) bruikbaarheid en effectiviteit. Ten behoeve van deze laatste categorie testen we de materialen gedurende de looptijd van het project in cursussen van de lerarenopleidingen. Alles wat in het project wordt samengebracht en doorontwikkeld, dus de opleidingsmaterialen met de daarin ingebedde leerlingmaterialen, publiceren we onder een open licentie zodat het vrij is voor hergebruik en aanpassingen. Metadatering en publicatie op het Wikiwijs leermiddelenplein verhogen de vindbaarheid van het materiaal. Om de bekendheid te bevorderen, zullen we de materialen onder de aandacht brengen van alle Nederlandse lerarenopleidingen door een brochure die onder alle lerarenopleidingen wiskunde wordt verspreid, presentaties op conferenties voor leraren en lerarenopleiders en minimaal twee publicaties in vaktijdschriften. Het materiaal wordt al in de looptijd van het project ingebed in curricula van de deelnemende lerarenopleidingen en verbonden met de vakdidactische literatuur uit onder andere SLW. Aan het einde van een project is een gebruikerspool actief die zich blijvend eigenaar voelt van het materiaal. Looptijd 01 september 2019 - 28 februari 2021 Aanpak
In deze Top-up zetten we in op doorwerking van de resultaten uit het project ‘Passende Zorg bij Zwangerschap’. In dit project is de basis gelegd voor een duurzame kennisinfrastructuur ter ondersteuning van verloskundigen bij het evidence-based handelen. Deze kennisinfrastructuur bestaat uit 1) twee factsheets over relevante, verloskundige onderwerpen en 2) twee Blended Practice Communities (BPC) waarin verloskundigen samenwerken en samen leren hoe EBM gebruikt kan worden in de praktijk. Evaluatie laat positieve resultaten zien, maar geeft ook inzicht in verbeterpunten voor praktijk en onderwijs. Deze Top-up heeft als doel het ontwikkelen van een derde, volledig online, BPC en in te gaan op een derde epidemiologisch domein, te weten Interventie-onderzoek. In een pilot willen we evalueren of deze variant tot dezelfde opbrengsten leidt als de twee eerder ontwikkelde BPC’s. Indien dit het geval is, beogen we deze eerder ontwikkelde BPC’s aan te passen om zo een vollediger programma te kunnen aanbieden aan verloskundigen. Daarnaast onderzoeken we in de Top-up de potentie van het programma in de stagepraktijk waar VIO’s en verloskundigen elkaar ondersteunen in hun ontwikkelproces met uitwisseling van theoretische kennis, klinisch redeneren en praktijkervaring. Deze Top-up draagt bij aan verdere kennis over een totaalprogramma voor verloskundigen (in opleiding) om hen te ondersteunen bij evidence-based werken. Het uiteindelijke programma verspreiden we via ons landelijk netwerk in de verloskundige zorg en onderwijs.
Aanleiding Mede door de vergrijzing groeit de zorgvraag in Nederland. Tegelijkertijd vallen veel verpleegkundigen uit door fysieke en mentale arbeidsbelasting. Dit begint al tijdens de opleiding/aan de start van de loopbaan. Dreigende arbeidstekorten en decentralisatie in de zorg vragen om verpleegkundigen die regie kunnen voeren over hun eigen werkgerelateerde gezondheid. Er is nog weinig wetenschappelijke kennis over het vroegtijdig signaleren en aanpakken van uitval onder verpleegkundigen. Bovendien hapert de invoer van effectieve interventies. Daarom willen zorginstellingen, verpleegkunde-opleidingen en wetenschappelijke organisaties onderzoek doen naar de oorzaken van uitval en een instrument ontwikkelen om problemen vroegtijdig te herkennen en te ondervangen. Doelstelling Het consortium wil een wetenschappelijk en praktisch onderbouwd instrumentarium ontwikkelen voor het signaleren van risicofactoren, gezondheidsproblemen, productiviteitsverlies en uitval bij stagiairs en beginnende verpleegkundigen, met daaraan gekoppeld effectieve preventieve interventies voor in de onderwijs- en stagepraktijk. Het programma kent twee fases. 1) literatuuronderzoek, kwalitatief onderzoek naar nog onbekende risicofactoren en longitudinaal cohortonderzoek vormen de basis voor een signaleringsinstrument/predictiemodel. In het cohortonderzoek worden van 750 (aankomend) verpleegkundigen 2,5 jaar de determinanten voor uitval gemonitord. In expertmeetings selecteert men vervolgens 6 evidencebased interventies. 2) het onderzoeksteam pre-test deze interventies op eerste haalbaarheid bij studenten verpleegkunde met risico. De 2 kansrijkste interventies, één voor mentale en één voor fysieke werkbelasting, worden in pilots op effectiviteit getoetst. In het onderzoek zet men de psychometrisch beproefde meetinstrumenten in van de European Nurses Early Exit Study (online enquêtes), aangevuld met inzichten uit interviews, fysieke metingen en praktijkobservaties. Beoogde resultaten De beoogde resultaten van het project zijn: " inzicht in de fysieke en mentale problemen van verpleegkundigen; " een gevalideerd predictiemodel voor geïndiceerde preventie in de zorg; " good practices en een kant-en-klare webapplicatie voor vroegsignalering met interventies in het stageonderwijs en het werkveld om uitval te voorkomen; " valorisatie van kennis in co-creatie met studenten, zorginstellingen en zorgprofessionals in de regio; " kennisinput voor de opleidingen Nurse practitioner, Verpleegkunde, Arbeid en Gezondheid, HRM. Een grote groep studenten is respondent in het onderzoek. In de uitvoering participeren ook studenten en daarnaast onder meer lectoren, onderzoekers en docenten van Hogeschool Rotterdam en twee promovendi. Voor de wetenschappelijke disseminatie worden refereerbijeenkomsten en presentaties gehouden op internationale congressen, en proefschriften en artikelen geschreven gepubliceerd. De verspreiding onder maatschappelijke partners gebeurt via vakpublicaties, expertmeetings en een slotsymposium. Met internationale partners uit het netwerk worden mogelijkheden verkend voor internationale parallelstudies.