BackgroundCardiac rehabilitation (CR) can reduce mortality and improve physical functioning in older patients, but current programs do not support the needs of older patients with comorbidities or frailty, for example due to transport problems and physical limitations. Home-exercise-based cardiac rehabilitation (HEBCR) programs may better meet these needs, but physiotherapy guidelines for personalising HEBCR for older, frail patients with cardiovascular disease are lacking.PurposeTo provide expert recommendations for physiotherapists on how to administer HEBCR to older adults with comorbidities or frailty.MethodsThis Delphi study involved a panel of Dutch experts in physiotherapy, exercise physiology, and cardiology. Three Delphi rounds were conducted between December 2020 and February 2022. In the first round panellists provided expertise on applicability and adaptability of existing CR-guidelines. In the second round panellists ranked the importance of statements about HEBCR for older adults. In the third round panellists re-ranked statements when individual scores were outside the semi-interquartile range. Consensus was defined as a semi-interquartile range of ≤ 1.0.ResultsOf 20 invited panellists, 11 (55%) participated. Panellists were clinical experts with a median (interquartile range) work experience of 20 (10.5) years. The panel reached a consensus on 89% of statements, identifying key topics such as implementing the patient perspective, assessing comorbidity and frailty barriers to exercise, and focusing on personal goals and preferences.ConclusionThis Delphi study provides recommendations for personalised HEBCR for older, frail patients with cardiovascular disease, which can improve the effectiveness of CR-programs and address the needs of this patient population. Prioritising interventions aimed at enhancing balance, lower extremity strength, and daily activities over interventions targeting exercise capacity may contribute to a more holistic and effective approach, particularly for older adults.
Purpose The aim of this study was to gain insight into the perspectives of older adults on the quality of geriatric rehabilitation (GR) during the trajectory of GR from admission until six weeks after discharge.Methods We conducted a longitudinal qualitative study. Participants were interviewed three times: at the start of rehabilitation, at discharge, and six weeks after discharge. The data were analysed using a thematic analysis.Results In total, 50 interviews were conducted, with 18 participants being interviewed multiple times. The following themes emerged: 1. A bond of trust with health care professionals (HCPs), 2. Being prepared and informed at all stages of GR, 3. Participants emphasise physical and occupational therapy rather than other aspects of care as comprising GR 4. Changing needs regarding (the extent of) involvement in decision-making, 5. Contact with family and peers.Conclusion For older adults, preparation for and good organisation of rehabilitation and social interaction with HCPs and other older adults were found to be important for the perceived quality of GR. Social interaction is infuenced by how HCPs engage with older adults in all the phases of the rehabilitation process. Older adults have varying preferences about involvement in decision-making during GR. These perspectives should be acknowledged and acted upon in clinical practice to further improve the quality of care in GR.
MULTIFILE
Background: In Turkey, nursing care in hospitals has gradually included more older patients, resulting in a need for knowledgeable geriatric nurses. It is unknown, however, whether the nursing workforce is ready for this increase. Therefore, the aim of this study is to validate the Knowledge about Older Patients Quiz (KOPQ) in the Turkish language and culture, to describe Turkish hospital nurses’ knowledge about older patients, and to compare levels of knowledge between Turkish and Dutch hospital nurses. Conclusions: The KOPQ-TR is promising for use in Turkey, although psychometric validation should be repeated using a better targeted sample with a larger ability variance to adequately assess the Person Separation Index and Person Reliability. Currently, education regarding care for older patients is not sufficiently represented in Turkish nursing curricula. However, the need to do so is evident, as the results demonstrate that knowledge deficits and an increase in older patients admitted to the hospital will eventually occur. International comparison and cooperation provides an opportunity to learn from other countries that currently face the challenge of an aging (hospital) population.
MULTIFILE
MUSE supports the CIVITAS Community to increase its impact on urban mobility policy making and advance it to a higher level of knowledge, exchange, and sustainability.As the current Coordination and Support Action for the CIVITAS Initiative, MUSE primarily engages in support activities to boost the impact of CIVITAS Community activities on sustainable urban mobility policy. Its main objectives are to:- Act as a destination for knowledge developed by the CIVITAS Community over the past twenty years.- Expand and strengthen relationships between cities and stakeholders at all levels.- Support the enrichment of the wider urban mobility community by providing learning opportunities.Through these goals, the CIVITAS Initiative strives to support the mobility and transport goals of the European Commission, and in turn those in the European Green Deal.Breda University of Applied Sciences is the task leader of Task 7.3: Exploitation of the Mobility Educational Network and Task 7.4: Mobility Powered by Youth Facilitation.
In het project wordt een nieuw door de HvA ontwikkelde methodiek (Open Collaborative Business Modelling methodiek, verder: ‘OCBM-methodiek’), toegepast om waardeproposities voor circulaire en biobased verpakkingen te ontwikkelen, samen met partijen uit de waardeketen. De inzet van biobased materialen is essentieel voor het terugdringen van het gebruik van fossiele plastics en – uiteindelijk – voor het bereiken van een volledig circulaire economie. De specifieke waardeketen waar het project zich op richt is die van verpakkingen op basis van Olifantsgras / Miscanthus. Projectpartner Vibers is een bedrijf dat dit gewas als grondstof gebruikt voor het produceren van o.a. verpakkingsmaterialen. Tijdens het project zal een viertal OCBM-sessies worden georganiseerd waarin Vibers in nauwe samenwerking met een wisselende groep ketenpartners en andere stakeholders een nieuwe waardepropositie formuleert. Projectpartner Kennisinstituut Duurzaam Verpakken (verder: KIDV) bewaakt in de OCBM-sessies de duurzaamheid van de ontwikkelde propositie en speelt een rol bij evaluatie van de OCBM-methodiek voor de verpakkingsindustrie. Het project levert daarmee twee belangrijke resultaten op: 1. Een met behulp van de OCBM-methodiek ontwikkelde waardepropositie voor een circulair business model waarin een biobased verpakking centraal staat; 2. Aanbevelingen voor het verfijnen van de OCBM-methodiek: specifieke aandachtspunten voor het ontwikkelen van innovatieve, circulaire business modellen met behulp van deze methodiek.
Bedrijfsovername is een grote uitdaging voor agrarische familiebedrijven, waarbij het sociaal-emotioneel welzijn van de familie is geïdentificeerd als een belangrijk knelpunt. Vanuit het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is in 2019 het beleidsprogramma Duurzame Bedrijfsopvolging gestart om het aantal succesvolle bedrijfsoverdrachten te verhogen. Een belangrijk onderdeel hiervan is een op te richten Kenniscentrum. Dit project wil het Kenniscentrum voeden met onderzoek naar de familiale dimensie van bedrijfsopvolging. Het praktijkonderzoek wordt uitgevoerd door een consortium bestaande uit het Lectoraat Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim, Aeres Hogeschool Dronten, Van Hall Larenstein Leeuwarden, het Fries Sociaal Planbureau, het NAJK en LTO Noord. Doel van dit project is het inventariseren en evalueren van de ondersteunende advies- en kennisinfrastructuur op de familiale dimensie bij het opvolgingstraject van agrarische familiebedrijven. Dit doen we door inzichten op te halen bij zestien agrarische bedrijfsfamilies, in verschillende stadia van het opvolgingsproces. In het project vergelijken we hoe de families en de ondersteunende advies- en kennispartijen omgaan met de belangen en behoeften van verschillende familieleden (opvolgers, overdragers, partners en niet-opvolgers) tijdens het opvolgingsproces. Daarnaast wordt kwantitatief onderzoek gedaan onder studenten op de twee deelnemende agrarische hogescholen, om de behoeften en verwachtingen van potentiële opvolgers en niet-opvolgers ten aanzien van bedrijfsoverdracht in kaart te brengen. Het project moet resulteren in gevalideerde verbetervoorstellen (stappenplannen) voor zowel agrarische bedrijfsfamilies als adviseurs gericht op de verschillende stadia van bedrijfsopvolging. Ook worden spelvormen ontwikkeld om moeilijke en relationeel ingewikkelde onderwerpen beter bespreekbaar te maken in het agrarisch onderwijs. Tot slot worden de resultaten van het onderzoek geschikt gemaakt voor gebruik binnen agrarische scholen om het curriculum over de zachte kant van bedrijfsopvolging te versterken.