Op school vult een leerling zijn rugzak met de bagage die nodig is voor een werkend leven. Als het goed is. 'Maar het onderwijs is nog georganiseerd op een industriële basis', zegt onderwijsonderzoeker Frans Meijers. 'Terwijl de diensten- en de kenniseconomie van de toekomst vraagt om werknemers die vooral ook kunnen reflecteren.'
How can we make Inquiry-Based Science and Mathematics Education (IBSME) durable? …. by incorporating it in the pre-service programs for elementary teachers! With pre-service students the training can be much more intensive than with inservice teachers. To have an impact in the classroom the minimum contact time in IBSME in-service and coaching has to be more than 90 hours (Supovitz & Turner, 2000). That number is hard to achieve in in-service but it is quite possible in preservice teacher education. From 9 – 11 January 2013 the Hogeschool van Amsterdam (HvA) hosted a field-visit sponsored by the EU Fibonacci project with a focus on pre-service teacher education. HvA developed two programs to strengthen IBSME in pre-service. One is an elective minor (30 ECTS) Science and Technology Education in the regularelementary teacher education program. The other is a pre-service program for academically talented students jointly developed by the University of Amsterdam and the Hogeschool of Amsterdam with inquiry as a major emphasis. The two programs are described in chapters 1 & 3 in this booklet. If you are still wondering what IBSE is, then read chapter 2 of Ana Blagotinsek of the University of Slovenia. She describes a neat example of an IBSE process with students in elementary teacher education. How do you start with a real worldquestion and initially little knowledge, and how do you investigate the question and eventually generate the knowledge needed to answer it? During the field-visit each participant presented one particularly successful approach in teacher training, for example, training teachers by ‘model teaching’ activities with these teachers’ own pupils. This method was used in different ways by 4 participants in different countries. They describe this in chapters 4 – 7. In chapter 8 colleague Frans Van Mulken describes the development of a lessonseries on graphs, rate of change, and speed using inquiry strategies inspired by the late mathematician and mathematics educator Hans Freudenthal. He also describes how pre-service students could be trained to teach the lesson series as inquiry. Simultaneously with this booklet, a Dutch booklet is published with overlapping contents but focused more on the Dutch context.
20 lectoren van 11 brede hogescholen zijn gestart met een netwerk gericht op het scheppen van synergie in onze bijdrage aan de Smart Industry beweging. Het platform is multidisciplinair samengesteld; technische, organisatorische en economische innovatie. Doel is versterking samenwerking en meer impact van hogescholen op deze belangrijke beweging. We richten ons met name op de zogeheten fieldlabs (inmiddels 15 stuks) en de daaraan deelnemende (MKB) bedrijven.
Voor kinderen in de adolescentiefase is identiteitsvorming een belangrijke ontwikkelingstaak. Adolescenten ontwikkelen onder meer een sociale identiteit. Deze behelst de relatie tussen een individu en zijn/ haar sociale omgeving, en omvat de vraag bij welke groep een individu zich thuisvoelt of hoort. Rotterdam kent een heterogene populatie. Dat betekent dat Rotterdamse adolescenten in aanraking komen met verschillende groepen mensen. Dit kan de vraag met betrekking tot bij wie ze horen urgent, maar ook complex maken. Voor Rotterdamse Sociaal Werkers die werken met kwetsbare doelgroepen is het belangrijk om processen rond identiteitsontwikkeling goed te ondersteunen. Een positieve sociale identiteit is gerelateerd aan psychische ontwikkeling en welbevinden van mensen. Echter, binnen de opleiding Social Work aan Hogeschool Rotterdam, maar ook binnen het werkveld van jeugdzorg (De Winter, 2015) wordt weinig expliciete aandacht besteed aan dit thema. Daarom exploreert de postdoc de volgende vraag: Hoe kunnen (toekomstige) Sociaal Werkers een bijdrage leveren aan positieve sociale identiteitsontwikkeling van (kwetsbare) adolescenten binnen de Rotterdamse context en wat betekent dat voor het onderwijs aan de opleiding Social Work? Het onderzoek vindt plaats binnen Kenniscentrum Talentontwikkeling, onder begeleiding van Frans Spierings. Het kenniscentrum werkt intensief samen met de Social Work opleiding. De postdoc richt zich op het ontwikkelen van een handelingskader van Sociaal Werkers om sociale identiteitsontwikkeling van individuen in de adolescentiefase te versterken. Opgedane kennis wordt ingebed in het curriculum van de opleiding Social Work aan Hogeschool Rotterdam. De onderzoeker werkt nauw samen met een andere postdoc die vanuit Kenniscentrum Talentontwikkeling onderzoek doet naar ethische reflectie in het jeugdzorgdomein. Beide onderzoeken versterken elkaar, omdat zij het handelingsrepertoire van de sociaal werker versterken, en dragen bij aan de kennisagenda van het kenniscentrum. Uiteindelijk wordt bijgedragen aan het lectoraat professionele identiteit van de Sociaal Werker, en wordt in samenwerking met die lector een eindsymposium georganiseerd binnen Hogeschool Rotterdam.
CRISPR/Cas werd in 2012 ontdekt als een bacterieel afweersysteem dat specifieke sequenties van virussen die bacteriën infecteren herkent en vervolgens onschadelijk maakt. Vrijwel direct na deze ontdekking werd de inzetbaarheid van CRISPR/Cas in biologisch en medisch onderzoek gedemonstreerd. Voor dit baanbrekend onderzoek aan CRISPR/Cas kregen de Amerikaanse moleculair biologe Jennifer Doudna en haar Franse collega Emmanuelle Charpentier al in 2020 de Nobelprijs. CRISPR/Cas heeft inmiddels gezorgd voor een revolutie in het bewerken, repareren en reguleren van DNA-sequenties (oftewel gene-editing) in bacteriën, planten en zelfs mensen. Daarnaast is recent gebleken dat Cas-eiwitten (onderdeel van CRISPR/Cas) ook kunnen worden ingezet voor de detectie van specifieke DNA-sequenties in voedsel, patiënten en gewassen. Deze Cas-eiwitten kunnen bijvoorbeeld worden ingezet voor de detectie van plant-pathogenen. Detectiemethoden van b.v. pathogenen in voedsel moeten zeer gevoelig, specifiek, goedkoop en draagbaar zijn. Biosensoren kunnen deze eigenschappen combineren. Biosensoren zijn detectiesystemen die gebaseerd zijn op biologische componenten/processen zoals de hier beschreven Cas-eiwitten. Om bestaande en nog te ontwikkelen Cas-eiwitten te optimaliseren is een beter begrip van hun werking een vereiste. Momenteel worden nieuwe varianten van Cas-eiwitten via in silico modeleringen ontworpen. De potentie van deze varianten om door te ontwikkelen voor gebruik in biosensoren is echter afhankelijk van een gedegen en systematische analyse van hun in vitro activiteiten. In dit project wordt daarom samen met MKB-partner Spark Genetics (ontwikkelaar van biosensoren) onderzoek gedaan naar met welke nieuw te ontwikkelen analysemethode(n) de activiteit en specificiteit van Cas-eiwitten snel en kosteneffectief bepaald kan worden. Avans en Spark Genetics kunnen direct profiteren van de resultaten van dit onderzoek. Zo is er voor Spark Genetics een directe vertaling van de resultaten naar het inzetten van de meest optimale Cas-eiwitten in nieuwe biosensoren en zal Avans hogeschool de kennis van de analysetechnieken direct integreren in haar laboratoriumonderwijs.