develop and evaluate the prototype of The Box for patients with SSc.
DOCUMENT
Effective nutrition education for primary schools should be practice-oriented, repeated but realistically scheduled, and designed using persuasive design elements such as practice, reduction, social learning and simulation. Feasibility depends primarily on time, resources and organisational support. These findings provide actionable guidance for developers and schools seeking to create feasible and meaningful nutrition education tools.
DOCUMENT
Deze training is gekoppeld aan de Toolkit ‘Proactieve palliatieve zorg in de ggz’. De Toolkit geeft ondersteuning aan hulp verleners in de ggz bij het bieden van palliatieve zorg aan ggz-cliënten die tevens lijden aan een levensbedreigende lichamelijke aandoening. De training is ontwikkeld voor hulpverleners vanuit de verschillende disciplines, werkzaam in de ggz. Palliatieve zorg is multidisciplinaire zorg en gaat uit van een multidimensionele benadering waarbij aandacht is voor lichamelijke, psychische, sociale en spirituele behoeften functioneren van de persoon die palliatieve zorg nodig heeft. In deze Trainingshandleiding worden drie trainingsbijeenkomsten uitgewerkt. De ervaring leert dat de opzet aan de hand van deze drie bijeenkomsten bruikbaar is voor het aanleren van de gewens te vaardigheden. Aan de hand van deze Trainingshandleiding, in combinatie met de beschikbare PowerPoint presentaties, is het mogelijk om binnen uw instelling trainingen te verzorgen waarbij de werkwijze van de Toolkit aangeleerd wordt aan ggz-hulpverleners. Tussen de trainingsbijeenkomsten is er vier weken de tijd om het aangeleerde tijdens de trainingen te kunnen oefenen in de praktijk.
DOCUMENT
Deze Implementatiehandleiding, behorende bij de Toolkit ‘Proactieve palliatieve zorg in de ggz’, richt zich op beslissingsbevoegden op bestuurlijk en/of managementniveau, leidinggevenden, trainers en ggz-hulpverleners. Bij de implementatie van de Toolkit is een speciale rol weggelegd voor de zogenaamde ‘kartrekkers’. Dit zijn de personen die een spilfunctie vervullen bij het implementatieproces en de borging van de Toolkit. De Toolkit ‘Proactieve palliatieve zorg in de ggz’ richt zich op hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) om hen te ondersteunen bij het bieden van palliatieve zorg aan cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA), die tevens lijden aan een levensbedreigende lichamelijke ziekte of kwetsbaarheid. De Toolkit bestaat uit vijf elkaar opvolgende stappen. Deze kunnen echter (afhankelijk van waar de specifieke situatie om vraagt) in verschillende volgordes ingezet worden.
DOCUMENT
Deze Toolkit is ontwikkeld om hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) te ondersteunen bij palliatieve zorg voor cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) die tevens lijden aan een levensbedreigende lichamelijke ziekte. Uitgangspunt is dat de zorg waar mogelijk plaatsvindt in de eigen omgeving van de cliënt (thuis, beschermde woonvorm, woonafdeling etc.). De Toolkit biedt handvatten om op gestructureerde wijze palliatieve zorg te integreren in de dagelijkse zorg en behandeling. De Toolkit is niet bedoeld als leerboek, maar als introductie op bestaande tools en methodieken uit de palliatieve zorg. De inhoud van deze Toolkit is mede gebaseerd op het Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland. Dit Kwaliteitskader is in Nederland richtinggevend voor ieder die betrokken is bij het bieden van palliatieve zorg. Het doel van de Toolkit is om hulpverleners te ondersteunen om bij cliënten met EPA tijdig de behoefte aan palliatieve zorg te herkennen en vervolgens goede palliatieve zorg te bieden.
DOCUMENT
In Nederland groeien 900.000 kinderen op met een ouder met psychische of verslavingproblemen (KOPP/KOV). Door onvoorspelbare thuissituaties, agressie of verwaarlozing kunnen zij mentale en fysieke gezondheidsproblemen ontwikkelen. Ondersteuning voor KOPP/KOV richt zich vaak op psycho-educatie. Sporten heeft bewezen positieve effecten op de lichamelijke en mentale gezondheid, maar wordt weinig ingezet binnen de hulpverlening aan deze doelgroep. Boksen kan helpen bij het uiten van emoties, het stellen van grenzen, het vergroten van zelfvertrouwen en het versterken van weerbaarheid van KOPP/KOV. Dit onderzoek verkent hoe een boksprogramma voor KOPP/KOV-jongeren (16–24 jaar) vormgegeven kan worden, wat werkzame elementen kunnen zijn, hoe bokstrainers en zorgprofessionals kunnen samenwerken en welke factoren implementatie beïnvloeden. Voor het onderzoek zijn semigestructureerde (groeps)interviews afgenomen met KOPP/KOV-jongeren, bokstrainers, zorg- en welzijnsprofessionals en vertegenwoordigers van brancheverenigingen. De resultaten laten zien dat een boksprogramma voor KOPP/KOV een plezierig alternatief voor of een aanvulling kan zijn op reguliere ondersteuning. Het programma biedt jongeren de kans te ontspannen, fit te worden, successen te ervaren en sociale steun te vinden. Een geschikte bokstrainer moet empathisch en communicatief vaardig zijn, op een positieve manier stimuleren en een warme sfeer creëren. Het programma wordt aangeboden door een bokstrainer en een ondersteuner, met op de achtergrond een zorg- of welzijnsprofessional. Scholing en certificering kunnen bijdragen aan succesvolle implementatie.
DOCUMENT
Children with moderate-to-profound intellectual disabilities face substantial and cumulative exposure to adversity, yet the developmental timing, accumulation, and resilience processes shaping their lives remain poorly understood. This qualitative multiple-case study examined the experiences seven families through a life-course lens. Data included semi-structured parent interviews, a brief orally administered adversity checklist, and multidisciplinary case files. Analyses reconstructed family trajectories across six developmental phases and examined cross-case patterns. Adversity was frequent, layered, and prolonged across medical, caregiving, relational, and systemic domains, typically beginning prenatally. Additional exposures clustered at transitions and intensive contacts, and burden was higher when services were fragmented or poorly matched. Many stressors originated in medical or family circumstances. The organization and continuity of care also shaped how adversity accumulated and was managed over time: when care was relationally attuned, collaborative, and responsive to individual needs. Parents described enduring experiences of living loss, grief linked to altered milestones and ongoing medical risk, alongside continuous efforts to sustain resilience in everyday family life. Resilience emerged as a dynamic, co-produced process supported by children’s sociability and perseverance, parental advocacy and attunement, and stable, proportionate supports (e.g. day services, respite). Cross-phase matrices and cross-case synthesis from the interview–checklist–file triangulation enabled a developmental reconstruction of how adversity and adaptation evolved across family, clinical, and service contexts. with parents preferring an interview-first sequence. These analyses showed phase-specific clustering at transitions and organization-dependent load, refining conceptualizations of adversity and identifying practice priorities for trauma-aware, family-centered care that support resilient functioning.
DOCUMENT
How do we build life-saving algorithms without compromising patient privacy? synteThe use of synthetic data in healthcare has emerged as a promising response to the growing demand for large, diverse, and shareable datasets. In an increasingly data-driven medical ecosystem, synthetic data could allow AI teams to bridge the gap between rapid innovation and bulletproof privacy protection, enabling our developers to safely build and stress-test models while minimizing the risk of patient re-identification.
LINK
ABSTRACT Allied health professionals often are not structurally involved in interprofessional collaboration with generalist primary care professionals for geriatric syndromes. Previously identified facilitators and barriers for interprofessional collaboration are predominantly outside the professionals’ sphere of influence. We aimed to identify (in)effective behavioral patterns in interprofessional collaboration between allied health and generalist primary care professionals in older adult care to provide a perspective of action for all professionals to improve the effectiveness of collaboration. We used a combined inductive and deductive approach to thematic analysis on the transcripts of 24 semi-structured individual interviews. To characterize collaborative situations between Dutch allied health and other primary care professionals, we organized open codes into a game theoretical framework. Identified ineffective behavior patterns included using power to overrule allied health expertise, a lack of initiating collaboration, and go-alone behavior in conflicts. Initiating behavior, making expertise more explicit, involving a third-party professional, and compromising were identified as effective behavior. Balancing power and expertise and engaging third-party professionals in situations of conflicting preferences, expertise, or power levels potentially improves generalist-allied health collaboration. The game theoretical framework proved useful in analyzing collaborative interactions and could be an effective strategy to change behavior.
MULTIFILE
Dit onderzoeksproject is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de Nederlandse ggz, naar een initiatief van Berno van Meijel en Bram Sizoo. De aanleiding was dat de initiatiefnemers kennis droegen van een aantal casussen van stalking van ggz professionals door cliënten, waarbij het proces gedurende enige tijd was vastgelopen. Buitenlandse literatuur gaf wel een indicatie dat stalking van deze beroepsgroep geen zeldzaamheid was, maar cijfers voor de Nederlandse situatie ontbraken. Het onderzoek is financieel mogelijk gemaakt door O&O-fonds GGZ, dat een samenwerking is tussen werkgevers en werknemers in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het onderzoek is uitgevoerd in 2025 en opgeleverd februari 2026. Het verslag is door samenwerking van alle onderzoekers tot stand gekomen. Er is slechts gebruik gemaakt van AI van de Universiteit van Amsterdam (UvAchat) bij het schrijven van de codes voor het opschonen van de dataset in het kwantitatieve deel en het ontwerpen van de figuren. Deze data is niet gedeeld, opgeslagen of gebruikt voor trainingsdoeleinden.
MULTIFILE